Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.1.0:14.4.1.0 Introductie
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.1.0
14.4.1.0 Introductie
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455355:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 5 is beschreven onder welke voorwaarden een belastingplichtige een aanmerkelijk belang bezit in de vennootschap. Blijkens art. 20a, derde lid, eerste volzin, Wet IB is dit het geval als de belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, voor ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal (on)middellijk aandeelhouder is in een vennootschap, welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Behalve een bezit van aandelen kan ook een zelfstandig bezit van koopopties op aandelen alsmede een zelfstandig bezit van winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen, tot een aanmerkelijk belang in de vennootschap leiden. Is eenmaal sprake van een aanmerkelijk belang in de zin van het derde lid van art. 20a Wet IB, dan worden op grond van de meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB tevens alle andere vermogensbestanddelen die een belastingplichtige bezit in relatie tot de vennootschap - (andere) aandelen, (tijdelijke en niet-tijdelijke) winstbewijzen, schuldvorderingen en koopopties - tot het aanmerkelijk belang gerekend. Voorts kan een belastingplichtige ingevolge art. 20a, vijfde lid, Wet IB een zgn. afgeleid aanmerkelijk belang bezitten in de vennootschap als niet hij doch zijn echtgenoot of één van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn wel een aanmerkelijk belang in de zin van art. 20a, derde lid, Wet IB in de vennootschap bezit.