Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.1.2
14.4.1.2 Familiegroep; echtgenoot en bloed- en aanverwanten in rechte lijn
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS451750:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Blijkens art. 2, vijfde lid, AWR sedert 1 januari 1998 moet onder de echtgenoot tevens de geregistreerd partner ex art. 1:80a BW wordt verstaan.
Dit betekent tevens dat in de regeling van art. 20a, negende lid, onderdeel c, Wet IB een bezit van aandelen van de bloedverwanten van de echtgenoot niet langer moet worden meegeteld zodra de echtelieden duurzaam gescheiden van elkaar gaan leven en niet pas vanaf het latere moment van de (formele) echtscheiding. Ook dit geldt immers via de regeling van art. 20a, negende lid, onderdeel a, Wet IB op dezelfde wijze voor de bloedverwanten van de ongehuwd samenwonende partner.
Vgl. het Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag A.l).
Voor de vraag of sprake is van een aanmerkelijk belang in de vennootschap wordt tevens gekeken naar het bezit van de echtgenoot alsmede dat van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn. In beginsel gelden de civielrechtelijke regels met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van een echtgenoot dan wel van bloed- en aanverwantschap in de rechte lijn.1 Specifiek voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling heeft de op deze wijze afgebakende familiegroep in art. 20a, negende lid, Wet IB enige uitbreiding ondergaan. Blijkens art. 20a, negende lid, onderdeel a, Wet IB wordt met echtgenoot gelijkgesteld degene die in het kalenderjaar voldoet aan de in art. 56 Wet IB gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor overdracht van de basisaftrek aan de belastingplichtige, oftewel de samenwonende partner. Voorts wordt ingevolge art. 20a, negende lid, onderdeel b, Wet IB een pleegkind gelijkgesteld met een wettig kind voor wat betreft de bloed- en aanverwantschap. Ten slotte wordt op grond van art. 20a, negende lid, onderdeel c, Wet IB een persoon beschouwd geen aanverwant meer te zijn ingeval het huwelijk, op grond waarvan de aanverwantschap is ontstaan, door echtscheiding is ontbonden.
Het feit dat een bezit van aandelen en winstbewijzen en schuldvorderingen van personen die zich binnen de persoonlijke sfeer van de belastingplichtige bevinden, in de beoordeling wordt betrokken voor de beoordeling of sprake is van een aanmerkelijk belang in de vennootschap lijkt mij passend en in lijn met de aanmerkelijkbelangregeling. Het kan immers niet zo zijn dat door het aandelenbezit over voldoende in de persoonlijke levenssfeer van de belastingplichtige bevindende familieleden te spreiden de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang in de vennootschap kan worden gefrustreerd. De vraag rijst echter of de wijze waarop de relevante familiegroep is omschreven, op adequate wijze is afgebakend. Dit lijkt mij voor de in art. 20a, negende lid, onderdelen a, b en c, Wet IB getroffen regelingen in elk geval het geval te zijn. Dit is mijns inziens echter niet het geval voor de duurzaam gescheiden levende echtgenoot. Uit art. 20a, derde en vijfde lid, Wet IB blijkt dat een eventueel aandelenbezit van de echtgenoot meetelt voor de beoordeling of de belastingplichtige een aanmerkelijk belang bezit in de vennootschap totdat het huwelijk door echtscheiding is ontbonden. Mijns inziens dient een eventueel aandelenbezit van de echtgenoot evenwel reeds vanaf het tijdstip waarop de aanstaande ex-echtelieden duurzaam gescheiden van elkaar gaan leven en deze situatie als bestendigd is bedoeld, niet meer te worden meegeteld voor de beoordeling van de aanmerkelijkbelangpositie. Op dat moment kan immers worden aangenomen dat van een samenwerkende groep aandeelhouders geen sprake meer is. Dit is dan hetzelfde moment, waarop de toerekeningsregels van art. 5 Wet IB niet langer van toepassing zijn, zodat mijns inziens op eenvoudige wijze bij de regeling van art. 5 Wet IB aansluiting kan worden gezocht. Door het begrip 'duurzaam', waarin met name de intentie van de belastingplichtigen tot uitdrukking komt en waardoor allerlei kortstondige onderbrekingen van de samenleefperiode kunnen worden opgevangen, kunnen mijns inziens opzetjes tussen echtelieden voldoende worden bestreden. Op deze wijze wordt tevens een grotere gelijkstelling bereikt met de duurzaam samenwonende ongehuwde partners, aangezien zij niet langer voldoen aan de regels voor overdracht van de basisaftrek ex art. 56 Wet IB zodra zij duurzaam gescheiden van elkaar gaan leven. Voor de niet langer duurzaam samenwonende ongehuwde partners houdt op dat moment de samentelling voor de aanmerkelijkbelangregeling dan ook op.2
Iets soortgelijks geldt als voor de bloedverwanten van de duurzaam samenwonende ongehuwde partner die voldoet aan de voorwaarden voor overdracht van de basisaftrek ex art. 56 Wet IB. De gelijkstelling met de echtgenoot geldt alleen voor de duurzaam samenwonende ongehuwde partner wiens aanmerkelijkbelangpositie moet worden beoordeeld en niet voor de bloedverwanten in de rechte lijn van deze duurzaam samenwonende ongehuwde partner.3 Bezit een vader 4% van de aandelen in een vennootschap, waarin de duurzaam samenwonende ongehuwde partner van zijn dochter de overige 96% van de aandelen bezit, dan heeft de vader geen aanmerkelijk belang in de vennootschap, hoewel de dochter en haar partner aan de voorwaarden voor overdracht van de basisaftrek ex art. 56 Wet IB voldoen. Zouden de dochter en haar partner daarentegen zijn gehuwd dan wel een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, dan zou de vader via de afgeleid-aanmerkelijkbelangregeling van art. 20a, vijfde lid, Wet IB wel een aanmerkelijk belang bezitten in de vennootschap. Dit verschil in uitwerking tussen duurzaam samenwonende ongehuwde partners enerzijds en (duurzaam samenwonende) gehuwde resp. geregistreerde partners anderzijds is mijns inziens ongewenst. Het meetellen van het aandelenbezit van de duurzaam ongehuwd samenwonende partner voor de aanmerkelijkbelangregeling dient mijns inziens niet alleen te gelden voor de beoordeling van de aanmerkelijkbelangpositie van de dochter doch tevens voor die van de bloedverwanten van de dochter. Dit kan worden bereikt door de civielrechtelijke aanverwantschap (die er in casu niet is, zie art. 1:3, tweede lid, BW) voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling in art. 20a, negende lid, Wet IB uit te breiden met de bloedverwanten in de rechte lijn van de duurzaam samenwonende ongehuwde partner.