Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.3.1:4.3.1 Inleiding
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.3.1
4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973643:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3531, NJ 2007/176 (Brocacef/Simons), r.o. 4.3; zie ook HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1536, NJ 2021/335 r.o. 3.3.
HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3531, NJ 2007/176 (Brocacef/Simons), r.o. 4.3; zie ook HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1536, NJ 2021/335 r.o. 3.3.
Zie HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1536, NJ 2021/335.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de algemene inleiding op dit hoofdstuk is genoemd dat de wettelijke klachtplichten volgens de Hoge Raad niet van toepassing zijn wanneer de schuldenaar in het geheel niet presteert. De Hoge Raad onderbouwt deze toepassingsregel in het arrest Brocacef/Simons met de overweging dat de schuldenaar die een prestatie heeft verricht, moet worden beschermd.1 De reden daarvan is dat hij erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt. Als dat niet zo is, moet hij dit met spoed aan de schuldenaar meedelen, aldus de Hoge Raad. Daarnaast wijst de Hoge Raad op de bewoordingen van art. 6:89 BW, welke bepaling spreekt van ‘een gebrek in de prestatie’.2
In deze paragraaf bespreek ik twee vragen die over deze regel rijzen. Ten eerste is de Hoge Raad met de introductie van de Brocacef/Simons-regel impliciet van oordeel dat de schuldenaar die nalaat te presteren, geen bescherming van de klachtplicht verdient. De Hoge Raad motiveert niet waarom dat zo zou zijn.
Ten tweede rijst de vraag of de regel uit het Brocacef/Simons-arrest opgeld doet in gevallen van gedeeltelijke niet-nakoming. Een arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Valk roepen deze vraag op.3
Ik schets in par. 4.3.2 de twee arresten van de Hoge Raad over de Brocacef/Simons-regel. Vervolgens stel ik in par. 4.3.3 de onderbouwing van de regel door de Hoge Raad ter discussie. In par. 4.3.4 bespreek ik de vraag in hoeverre de Brocacef/Simons-regel opgeld doet in gevallen van gedeeltelijke niet-nakoming. Par. 4.3.5 besluit met een conclusie.