Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.4.2
I.3.4.2 Waarborging testeervrijheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622740:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Frey 1999, p. 85. Zie ook subparagraaf 1.2.2.2 ‘Intermezzo: een delegatieverbod omwille van de testeervrijheid’.
Zie Grossfeld 1968, p. 117 en Lange/Kuchinke 2001, p. 543. Zie ook subparagraaf 1.2.2.2 ‘Intermezzo: een delegatieverbod omwille van de testeervrijheid’.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 135-136.
Sens 1990, p. 70.
B. Schols 2007a, p. 54.
Wagner 1997, p. 42-43 ziet in het niet tot verantwoording kunnen roepen van de gedelegeerde een indirect bezwaar tegen wilsdelegatie.
Sens 1990, p. 69 e.v.; Zimmermann 1991, p. 27; Frey 1999, p. 86; Halding-Hoppenheit 2003, p. 135 e.v. Frey wijst overigens nog op § 2151 BGB (de door de wetgever gemaakte uitzondering op § 2065 II BGB ten aanzien van het legaat). De wetgever heeft in dit geval kennelijk geen moeite gehad met het prijsgeven van de testeervrijheid.
Zoals in het eerste hoofdstuk werd aangestipt, zijn er auteurs die § 2065 BGB zien als een waarborging van de testeervrijheid, omdat, zo vat Frey het samen:
‘die Übertragung der Entscheidungsbefugnis auf einen Dritten nach dem Erbfall weder vom Erblasser kontrolliert noch rückgängig gemacht werde könne, stelle dies einen weitgehenden Verzicht auf die eigene Rechtsausübung dar, welcher der als Grundewert anerkannten Privatautonomie widerspreche.’1
De opvatting dat het Drittbestiummungsverbot noodzakelijk is omdat ‘die Übertragung der Entscheidungsbefugnis auf einen Dritten nach dem Erbfall weder vom Erblasser kontrolliert noch rückgängig gemacht werde könne’ en dat Drittbestimmung een ‘weitgehenden Verzicht auf die eigene Rechtsausübung’ met zich brengt waardoor de testeervrijheid wordt prijsgegeven,2 overtuigt mij niet. Tijdens leven kan de erflater in beginsel de uiterste wilsbeschikking steeds herroepen. Dit is slechts anders indien hij wilsonbekwaam is. Na overlijden is het met deze mogelijkheid tot herroepeing weliswaar schluss, maar de kaarten liggen er in dit geval ook anders bij. Want:
‘Denn hier ist der Erblasser dann, wenn die Ermächtigung zum Tragen kommt, bereits verstorben.’3
En:
‘Der Erblasser kann nach seinem Tode keine eigene Vorstellungen mehr bilden. Auβerdem ist er selbst in seinen Vermögensinteressen nicht mehr schutzbedürftig, denn er hat keine Vermögensinteressen mehr.’4
Waarom dient erflater na zijn overlijden nog bescherming te genieten? Erflater zal van zijn handelingen immers geen vermogensrechtelijk nadeel kunnen ondervinden. Bovendien zou een gewenste ‘ongedaanmaking’ evenals de controle en het tot verantwoording roepen van de gedelegeerde, mijns inziens, zoals ik ook in het eerste hoofdstuk opmerkte, nochtans kunnen plaatsvinden door het benoemen van een Testamentsvollstrecker. Als vertegenwoordiger van erflater5 kan deze vertrouwenspersoon een oogje in het zeil houden en de gedelegeerde, indien nodig, controleren, ter verantwoording roepen6 en op zijn handelen ‘aanpakken’. Van het prijsgeven van de testeervrijheid is dan ook naar mijn mening geen sprake. Zo vinden ook Halding-Hoppenheit, Frey, Sens en Zimmermann.7