Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.3
7.3.3 De importeur en exporteur van seksuele dienstverleners
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392114:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.2.
Vanaf 1994 zijn er maar liefst zeven wetswijzigingen geweest: In 2000 (opheffing algemene bordeelverbod en souteneurschap, strafbaarstelling van handel en exploitatie van prostitutie), in 2002 (uitbreiding ‘seksuele dienstverlening met en voor een derde’), in 2005 (uitbreiding strafbaarstelling: criminalisatie van handel buiten de seksindustrie), in 2006 (vernummering artikel, geen inhoudelijke wijziging), in 2009 (verhoging strafmaxima) in april 2013 (verhoging strafmaxima) en in november 2013 (inhoudelijke wijziging en uitbreiding strafverzwaringsgronden). Zie uitgebreid § 3.2.
Tenzij het Vrouwenhandelverdrag uit 1933 hedendaags wordt geïnterpreteerd. Het verdrag heeft betrekking op het tegengaan van ‘ontucht’, dit betreft ‘seksuele handelingen die ingaan tegen de heersende moraal’. De heersende moraal anno 1933 was dat prostitutie – in welke vorm dan ook – ontoelaatbaar was. De heersende moraal in de 21e eeuw is dat prostitutie alleen onacceptabel is als het onder dwang geschiedt. Zie ook § 3.4.5.
Onderdeel 3 is niét ingevoerd naar aanleiding van het VN Protocol of de EU Richtlijn mensenhandel, maar is in 1994 ingevoerd vanwege het Vrouwenhandelverdrag uit 1933. De ratificatie van dit verdrag door Nederland in 1935 was destijds geen enkel probleem omdat de toen geldende Nederlandse strafbepaling van vrouwenhandel sowieso al zag op de al dan niet vrijwillige handel in vrouwen.1 Vrij snel na de ratificatie veranderde echter het Nederlandse prostitutiebeleid en voerde de gedachte de boventoon dat alleen gedwongen seksuele handel in personen strafbaar zou moeten zijn. Deze gedachte is tevens de reden geweest dat Nederland het Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel en de exploitatie van prostitutie van 1949 niet heeft geratificeerd. Het is des te opmerkelijk dat ondanks het nationale prostitutiebeleid – dat nog steeds is gericht op legalisering van vrijwillige en strafbaarstelling van gedwongen seksuele dienstverlening – en ondanks de zeven wetswijzigingen die na 1994 inzake het mensenhandelartikel hebben plaatsgevonden (en de discussies in de Eerste en Tweede Kamer die daarmee gepaard zijn gegaan), het verbod op algehele handel in seksuele dienstverleners over de grens is gehandhaafd.2
Het werven of medenemen van een persoon die vrijwillig in een ander land in de prostitutie gaat, valt volgens de richtlijn niet onder mensenhandel. Nederland heeft zich echter door de ratificatie van het Vrouwenhandelverdrag van 1933 in ieder geval ten aanzien van de grensoverschrijdende seksuele handel in vrouwen verplicht tot strafbaarstelling. Nederland komt die verplichting met de tekstuele omschrijving meer dan na, aangezien sub 3 niet is beperkt tot vrouwelijke slachtoffers, maar tot alle seksuele dienstverleners afkomstig uit een ander land. Tegelijkertijd strookt de strafbaarstelling niet met het Nederlandse prostitutiebeleid en de weigering van de ratificatie van het mensenhandelverdrag van 1949. De bepaling ziet verder niet op de aanpak van arbeidsuitbuiting en orgaanverwijdering en komt in zoverre niet tegemoet aan internationale verplichtingen. Zoals opgemerkt wordt de ruime strafbepaling door de Hoge Raad strikter gelezen. ‘Uitbuiting’ is aangemerkt als een impliciet bestanddeel. Deze lezing past beter binnen het nationale prostitutiebeleid, maar druist weer in tegen de verplichtingen die voortvloei- en uit het Vrouwenhandel van 1933.3 De conclusie uit § 7.3.2. is hier verder van overeenkomstige toepassing. Doordat de gedraging moet zijn ‘begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld’, bestrijdt de bepaling niet de voorfase van mensenhandel (waarop de internationale anti-mensenhandelregelgeving wel ziet). Inhoudelijk voldoet het sublid 3 daarmee niet aan de verplichtingen van internationale regelgeving ter bestrijding van seksuele mensenhandel.