De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.4:7.3.4 De kinderhandelaar en kinderuitbater
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.4
7.3.4 De kinderhandelaar en kinderuitbater
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS388636:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 3 onder c VN Protocol mensenhandel en artikel 2 onder 4 EU Richtlijn mensenhandel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zowel het VN Protocol als de EU Richtlijn mensenhandel stellen dat het werven van een minderjarige met een oogmerk van uitbuiting heeft te gelden als mensenhandel, ook als geen gebruik is gemaakt van de in die regelgeving genoemde beïnvloedingsmiddelen.1 De veronderstelling daarbij is dat volwassenen een mate van overwicht hebben op een kind, waardoor geen druk hoeft te worden uitgeoefend om een kind te kunnen uitbuiten. Nederland heeft deze verplichting keurig opgevolgd door de middelen in het tweede sublid te schrappen. De vraag is wat de toegevoegde waarde van deze plicht is. Immers, de uitbuiting impliceert op zichzelf oneerlijk economisch gewin al dan niet in combinatie met onvrijheid (zie § 3.3). Het betreft een oneerlijke situatie tussen degene die uitbuit en de persoon die wordt uitgebuit; de dader profiteert van het slachtoffer. Het is lastig voor te stellen hoe deze situatie kan worden bereikt zonder de beïnvloedingsmiddelen dwang, bedreiging, misleiding, misbruik van onmacht dan wel misbruik van omstandigheden in te zetten. De ene pool van uitbuiting: onvrijheid kán alleen maar worden bereikt door dwang, bedreiging en misleiding. De andere pool: oneerlijk economisch gewin gaat samen met misbruik. De verdragsverplichting zou betekenis hebben als slechts dwang bij een minderjarige niet zou zijn vereist. Gedoeld wordt echter op alle in het protocol en de richtlijn genoemde beïnvloedingsmiddelen (waaronder het breed interpreteerbare middel ‘misbruik’). De beïnvloedingsmiddelen tezamen hebben zo een ruim bereik dat ze onvermijdelijk zijn bij het bewijs van een ‘oogmerk van uitbuiting’. De afwezigheid van dwang, neemt namelijk niet weg dat in het geval een kind wordt uitgebuit (of het oogmerk daarop is gericht), wel degelijk sprake is van misbruik. En misbruik is een beïnvloedingsmiddel. Materieelrechtelijk gezien lijken de bepalingen dan ook weinig te verschillen. Dat leidt tot de conclusie dat Nederland met de invoering van sub 2 formeelrechtelijk voldoet aan de verplichtingen van de richtlijn. Materieelrechtelijk zou Nederland echter ook aan de verplichting hebben voldaan als het had volstaan met sub 1. Tegelijkertijd benadrukken de verschillende subleden dat kinderhandel aan een minder zware bewijslast onderhevig is als de volwassen mensenhandel. Bij de volwassen mensenhandel gaat het om excessief misbruik, terwijl de lat bij kinderhandel minder hoog ligt. De scheiding tussen de handel in en uitbuiting van volwassenen respectievelijk kinderen is dan toch zinvol.
Net zoals het geval was in sub 1, maakt sub 2 onderscheid tussen uitbuiting en de verwijdering van organen. Het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel verstaan onder uitbuiting eveneens de verwijdering van organen. Daarmee wordt niet in het algemeen gedoeld op orgaandonatie, maar op orgaandonatie die geschiedt in een situatie van uitbuiting. Zoals reeds opgemerkt in § 7.3.1 pakt de Nederlandse strafbepaling daardoor mogelijk breder uit. Maar de orgaanhandel die het protocol en de richtlijn wensen tegen te gaan, valt wel onder het ruimere Nederlandse verbod. Sub 2 stelt immers dat het oogmerk van de dader gericht moet zijn op uitbuiting dan wel de verwijdering van organen.
Sub 5 is van een andere orde dan sub 2 in die zin dat geen wervingshandeling en geen oogmerk van uitbuiting is vereist. Sub 5 behelst een bewegingselement. Dit bewegingselement is niet beperkt tot de vrijheidsbeperkende beïnvloedingsmiddelen genoemd in sub 1 (en het protocol en de richtlijn), maar kan alle handelingen betreffen waardoor een minderjarige wordt bewogen seksuele diensten tegen betaling te verrichten of zijn organen tegen betaling te verwijderen. Dit sublid heeft een breder bereik dan waartoe het protocol en de richtlijn aanzetten. De persoon die een minderjarige overreedt om in de prostitutie te gaan, zonder enig eigen belang of voordeel, is strafbaar op grond van dit sublid, maar niet op grond van sub 1 of 2 daar geen oogmerk van uitbuiting aanwezig is. De moeder die haar kind overhaalt een orgaan te doneren aan een doodziek broertje en in het vooruitzicht een luxe vakantie stelt, zou eveneens strafbaar kunnen worden gesteld op basis van dit sublid, maar niet volgens sub 1 of 2. Beide voorbeelden vallen in het protocol en de richtlijn eveneens niet onder mensenhandel. Nederland zou formeelrechtelijk gezien kunnen volstaan met sub 1 en 2. Materieelrechtelijk zou het kunnen volstaan met sub 1. Het sublid 5 is naar internationaal recht niet vereist, zeker niet naast de bestaande subleden 1 en 2.