De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.2:7.3.2 De exploitant
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.2
7.3.2 De exploitant
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS388635:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.4.4.
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen, r.o. 4.3.1 en 4.3.2.
HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9215, NJ 2006/525 en § 3.4.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals reeds is opgemerkt, is sub 4 een uitvloeisel van het Nederlandse prostitutiebeleid en de daarmee gepaard gaande strafrechtelijke aanpak van on- vrijwillige betaalde seksuele dienstverlening. Het sublid is niet ontworpen vanwege het VN Protocol mensenhandel, maar is naar aanleiding van dit protocol wel uitgebreid tot arbeid en dienstverlening buiten de seksindustrie. Eveneens is naar aanleiding van dit protocol de orgaandonatie als variant opgenomen. Anders dan het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel vereist het eerste deel van sub 4 geen wervingsactie en bij letterlijke interpretatie ook geen oogmerk van uitbuiting of daadwerkelijke uitbuiting.
Bij strikte lezing van het tweede deel van sub 4 is wel een wervingsactie en het oogmerk van uitbuiting vereist naast de beïnvloedingsmiddelen, maar deze gedragingen hoeven niet door de dader te zijn ingezet; genoeg is dat hij hier gebruik van maakt wetende of redelijkerwijs vermoedende dat de ander zich vervolgens beschikbaar stelt tot arbeid, diensten of orgaandonatie. In de praktijk wordt de bepaling echter niet zo eng gelezen en wordt enkel uitgegaan van het vereiste van een ingezet beïnvloedingsmiddel.1
De Hoge Raad heeft evenwel met zijn arrest van 24 november 2015 de reikwijdte van het sublid in zijn geheel (dus zowel het eerste als het tweede deel) beperkt: onderdeel 4 is alleen strafbaar als ‘het is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld’.2
Tekstueel is de bepaling aldus niet beperkt tot situaties van uitbuiting en is het bereik van de strafbepaling (op dit punt) groter dan waartoe het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel verplichten. Materieel moeten de omstandigheden zodanig zijn dat een situatie van uitbuiting kan worden aangenomen.
Onderdeel 4 ziet in beginsel op een latere fase dan de mensenhandel in de internationale anti-mensenhandelregelgeving (die ook betrekking heeft op het verhandeltraject voorafgaand aan de uitbuiting). De vraag is of mensenhandel als bedoeld in de internationale regelgeving tóch onder het bereik van onderdeel 4 valt. Stel dat een handelaar een Chinese migrant door dwang werft om hem in Nederland uit te buiten in een fabriek. Onder het protocol en de richtlijn betreft dit mensenhandel. Vóór de uitspraak van de Hoge Raad in november 2015 was het denkbaar dat deze handelaar op basis van sub 4 strafbaar was. De Chinese migrant staat immers onder dwang van de handelaar, en wordt daardoor bewogen tot arbeid in de fabriek – die hij nog niet heeft verricht, maar die hij nog moet gaan verrichten. Uit jurisprudentie vóór 2015 bleek dat het voldoende was als beïnvloedingsmiddelen waren ingezet teneinde een ander te bewegen tot arbeid, diensten of orgaandonatie. Die arbeid of diensten hoefden nog niet te zijn uitgevoerd. Het was genoeg als het slachtoffer zich onder dwang of beïnvloeding beschikbaar had gesteld.3 Ná de uitspraak van de Hoge Raad in november 2015 is duidelijk dat de gedraging pas strafbaar is als de Chinese migrant ‘in omstandigheden verkeert die een uitbuitingspraktijk veronderstellen’. Als de Chinese migrant nog geen werkzaamheden heeft verricht in de fabriek is dat moeilijk om aan te nemen. De mensenhandel waarbij daadwerkelijke uitbuiting nog niet heeft plaatsgevonden valt aldus buiten sub 4. De enkele strafbaarstelling van de exploitant komt dus niet tegemoet aan internationale anti-mensenhandelregelgevingsverplichtingen.