De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.1:7.3.1 De handelaar
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.3.1
7.3.1 De handelaar
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS386208:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het VN Protocol mensenhandel is bepalend geweest voor een universele definitie van mensenhandel.1 De internationale en Europese verdragen en richtlijnen die volgden op dit protocol, sluiten allemaal aan op de VN formulering van mensenhandel. De EU Richtlijn mensenhandel van 2011 breidt de omschrijving van mensenhandel ten opzichte van het protocol formeel gezien uit. Materieel gezien heeft deze omschrijving echter geen breder bereik. Zo benoemt de richtlijn als wervingsactie ‘het opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen’. Het protocol heeft het alleen over ‘opnemen’, maar de wisseling of overdracht van controle over personen kan daaronder worden geschaard.
Wat betreft het gebruik van middelen is de richtlijn eveneens uitgebreider, de richtlijn spreekt van ontvoering, bedrog en het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon. Deze middelen kunnen echter worden ondergebracht bij de door zowel het VN Protocol als de EU Richtlijn mensenhandel opgenomen middelen: de dreiging met of het gebruik van geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, fraude, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie. Voorts is de definitie van uitbuiting in de richtlijn op bepaalde punten specifieker: er wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van gedwongen bedelarij en uitbuiting van strafbare activiteiten. Aangezien het protocol geen limitatieve opsomming geeft, kunnen ook deze bijzondere vormen van uitbuiting onder het protocol worden geschaard. Bij de toetsing van de Nederlandse strafbepaling wordt allereerst uitgegaan van de meest specifieke anti-mensenhandelregelgeving, de EU Richtlijn mensenhandel van 2011. Bij verschillen tussen de richtlijn en de nationale bepaling wordt vervolgens inhoudelijk getoetst aan het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel.
Mensenhandel bestaat volgens de richtlijn uit de volgende componenten:
Een wervingsactie: het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen;
Het gebruik van bepaalde middelen: dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik, misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon;
Het doel van uitbuiting: ten minste de uitbuiting van prostitutie van anderen, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of dienstverlening, inclusief bedelarij, slavernij, met slavernij vergelijkbare praktijken, dienstbaarheid, uitbuiting van strafbare activiteiten en de verwijdering van organen.
Sub 1 is bijna een kopie van de richtlijn, dit onderdeel kent dezelfde drie componenten. Het is ook niet vreemd dat de bepalingen zo op elkaar lijken: de Nederlandse wetgever heeft de mensenhandelbepaling immers aangepast om op één lijn te komen met de richtlijn.2 De volgende vraag is dan of de drie componenten in Nederland hetzelfde worden ingevuld. Dat is zeker het geval bij het eerste component: de manieren van werven zijn identiek. En ook ten aanzien van het tweede component, het gebruik van middelen, bestaat overlap. Anders dan de richtlijn, neemt de Nederlandse bepaling ‘het inzetten van een feitelijkheid’ of ‘het dreigen met een feitelijkheid’ op en kent de nationale strafbepaling als middel ‘afpersing’ en ‘fraude’. In § 3.4.3 is reeds geconcludeerd dat het bestanddeel ‘feitelijkheid’ in de praktijk weinig meerwaarde heeft. Afpersing en fraude kunnen voorts onder de andere vormen van dwang of misleiding worden geschaard. De richtlijn heeft als middelen tevens opgenomen ‘bedrog’ en ‘ontvoering’. Bedrog kan echter eveneens worden gezien als een vorm van misleiding. Ontvoering is een bijzondere vorm van dwang. Dit leidt tot de conclusie dat ten aanzien van het tweede component inhoudelijk geen verschil aanwezig is tussen sub 1 en de richtlijn.
Tot slot, het derde component: het doel van uitbuiting. Dit staat in beide regelingen centraal. De definitie van uitbuiting is op één punt na hetzelfde: de Nederlandse strafbepaling schaart de orgaanverwijdering niet onder uitbuiting, maar benoemt dit apart. De richtlijn ziet de verwijdering van organen als een vorm van uitbuiting. Het is opmerkelijk dat de Nederlandse wetgever de orgaanverwijdering los vermeldt. De handelaar in organen is in Nederland strafbaar zodra hij door het gebruik van beïnvloedingsmiddelen een orgaandonor werft, ook al betreft de orgaandonatie geen uitbuiting. De Nederlandse strafbepaling pakt daardoor mogelijk breder uit. Maar de orgaanhandel die de richtlijn wenst tegen te gaan, valt wel onder het ruimere Nederlandse verbod. Sub 1 stelt immers dat het oogmerk van de dader gericht moet zijn op uitbuiting dan wel de verwijdering van organen.