Artikel 6 EVRM en de civiele procedure
Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.3.4.3.b:4.3.4.3.b Subjectieve omvang van uitsluiting
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.3.4.3.b
4.3.4.3.b Subjectieve omvang van uitsluiting
Documentgegevens:
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301338:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Sijthoff-Stray (1976), p. 71 e.v., stelde deze kwestie onder andere voor de civiele procedure al lang geleden aan de orde, maar gaf er geen duidelijk antwoord op.
Rapport van de werkgroep Voorlichting en Publiciteit, p. 7.
Pagano (1992), p. 45.
Een soortgelijke opvatting wordt verwoord door het Internationaler Kommentar zur EMRK (Miehsler/Vogler), aant. 334 op art. 6 EVRM, en door Vélu en Ergec (1990), nr. 510.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 6 EVRM bepaalt dat de toegang tot de rechtszaal aan de pers en het publiek kan worden ontzegd. De vraag die hier opdoemt is, of 'pers en publiek' als twee-eenheid gelezen moet worden óf dat de pers toegelaten mag worden tot de civiele procedure met uitsluiting van het publiek (het omgekeerde geval laat zich moeilijk denken).
Op dit punt laten zowel de Straatsburgse als nationale jurisprudentie verstek gaan. De Nederlandse wetgever geeft in art. 27 lid 1 Rv wel een indicatie waar bepaald wordt dat de rechter een behandeling van de zaak 'slechts met toelating van bepaalde personen' kan bevelen. Zulks impliceert dat in de procedure uitsluiting van de één en toelating van de ander tot de mogelijkheden behoort.1
De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak meent dat de pers in een procedure aanwezig kan zijn waar het publiek niet toegelaten wordt.2 Zij leest in art. 6 EVRM, waarin de beide groepen onderscheiden worden, een erkenning van het feit dat de pers het aanwezige publiek vertegenwoordigt. Pagano wil niks weten van een dergelijk onderscheid:
'De zitting is openbaar of besloten, geheim of niet-geheim; een ieder mag wel of niet weten wat er plaatsvindt. Bijzondere toelating van vrije pers tot een besloten zitting is een contradictie, aangezien publiciteitsmedia worden uitgenodigd een niet voor het publiek toegankelijke zitting bij te wonen.'3
Dit standpunt komt nogal (lees: te) rigoureus voor. Pers en publiek zijn niet als een eenheid op te vatten en met name moet ook binnen de pers onderscheiden worden tussen enerzijds de geschreven pers en anderzijds de audiovisuele pers (radio en tv). Bij de toelating van pers en publiek moet voor ogen worden gehouden welk doel met de openbaarheid gediend wordt. In herinnering zij geroepen dat het uiteindelijk gaat om de waarborging van een eerlijke procedure; controle op de procedure via de openbaarheid is een middel daartoe.
Vindt daadwerkelijke controle plaats als een groot publiek 'live' via tv of radio het verloop van een zitting kan volgen? Daar zijn grote vraagtekens bij te stellen. Eerder moet men vrezen voor een soort voyeurisme dat, naarmate de actualiteits- (of amusements-)waarde hoger ligt, sterker zal zijn. Voor de civiele procedure geldt daarbij nog in het bijzonder dat het in de regel niet zozeer om de (persoon van de) partijen gaat als wel om de argumenten die zij over en weer naar voren brengen. Een schriftelijke verslaggeving van die argumenten doet volledig recht aan het geschil in civilibus en dient ook het doel van de openbaarheid: een eerlijk proces door publieke controle.4 Op deze plaats wordt dan ook het standpunt ingenomen dat, zodra partijen bezwaar maken tegen de aanwezigheid van radio of tv bij een civiele zitting, de rechter deze media - met de uitsluitingsgronden van art. 6 EVRM in de hand - moet kunnen gebieden het veld te ruimen.