Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.4.3.2
5.4.3.2 Lid 1: kasrondjes
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305598:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kosten die werden gemaakt om een valutaresultaat op de lening af te dekken, vielen hieronder. Hetzelfde gold voor kosten om renterisico’s af te dekken. Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (Nota), p. 30.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (Nota), p. 11. In het besluit van 6 augustus 2002, BNB 2002/389 dat vervolgens is vervangen door het besluit van 23 december 2005, BNB 2006/90 werd echter goedgekeurd dat zakelijke overwegingen werden verondersteld ingeval de corresponderende rentebate werd onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen in Nederland of daarbuiten en die belastingheffing geheel of nagenoeg geheel overeenkwam met het belastingbedrag dat zou voortvloeien uit de aftrekbaarheid van de rentelast.
In HR 11 juli 2008, 43 376, V-N 2008/34.15 is beslist dat de omstandigheid dat art. 24 Wet IB 1964 op grond van het leerstuk van wetsontduiking van toepassing zou zijn, nog niet tot gevolg had dat ook voor de toepassing van art. 10a, lid 1, VPB 1969 sprake zou zijn van een winstuitdeling.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3 (MvT), p. 17 en p. 28.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (Nota), p. 30.
Het eerste lid van art. 10a had betrekking op de schuldigerkenning aan de rechthebbende van een winstuitdeling, van een teruggave van gestort kapitaal of van een kapitaalstorting (behoudens in geval van bepaalde solvabiliteitsgaranties). De rente – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen –1 op een dergelijke schuld was dan niet aftrekbaar tenzij aan de schuldigerkenning in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. Hiermee wilde de wetgever verhinderen dat naar willekeur rentestromen konden worden opgeroepen. Om deze reden was in het eerste lid niet voorzien in een uitzondering op de beperking van de aftrek van de rente wanneer zij bij de crediteur aan een compenserende heffing was onderworpen.2
Het eerste lid was van toepassing als de winstuitdeling,3 de teruggave van gestort kapitaal of de kapitaalstorting rechtens dan wel in feite direct of indirect was schuldig gebleven aan de rechthebbende. De rechthebbende hoefde niet een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon te zijn. Met de term ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ wilde de wetgever bereiken dat de bepaling ook van toepassing kon zijn wanneer de lening formeel door een derde maar materieel door een rechthebbende was verstrekt. Dat was het geval als een verbonden vennootschap een reëel risico liep te worden aangesproken voor de terugbetaling van de derdenlening en de lening verband hield met een besmette transactie in de zin van art. 10a. Beslissend was of de omstandigheden van het geval leidden tot de conclusie dat de risico’s die aan het crediteurschap waren verbonden, in feite niet werden gedragen door de onafhankelijke juridische schuldeiser maar door de verbonden vennootschap.4
Een lening die was aangegaan bij een derde, kon ook besmet zijn wanneer zekerheid werd verstrekt door een verbonden lichaam. Daarvan kon echter geen sprake zijn als de debiteur, ook zonder dat er zekerheid zou zijn gesteld, zelfstandig een dergelijke lening had kunnen verkrijgen. Dat kon bijvoorbeeld het geval zijn als de borgstelling door het verbonden lichaam slechts plaatsvond teneinde betere voorwaarden, zoals een lagere rente, te bedingen. Ook kon dit het geval zijn als de aansprakelijkheidsstelling voortvloeide uit art. 403 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.5