Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.3.1
4.5.3.1 Algemeen: wanneer is de groene kaart voorwaarde?
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401866:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel deze ongevallen binnen het Richtlijngebied eerder de regel dan de uitzondering zullen vormen.
Zie par. 3.4.4.5 onder a.
Besluit van 23 november 1972 tot uitvoering van artikel 2 lid 8 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (aanwijzing van landen), Stb. 617, zoals dit besluit laatstelijk is gewijzigd bij Besluit van 16 oktober 2007, Stb. 400. De landen, opgesomd in de vermelde AMvB zijn de landen van de EER en de daarmee gelijk gestelde landen Andorra, Kroatië en Zwitserland.
In de praktijk betekent dit 'toelaten' voor Nederland niet veel. Ons land wordt omringd door andere lidstaten en de Noordzee. Weinig buitenlandse auto's die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van niet-lidstaten zullen ons land via onze zeehavens binnenkomen en voertuigen die ons land binnenkomen vanuit een andere lidstaat - ongeacht of zij gewoonlijk zijn gestald in een andere lidstaat dan wel in een niet-lidstaat - mogen niet op het bestaan van verzekeringsdekking worden gecontroleerd, anders dan op niet-systematische, niet discriminerende en niet alleen op verzekering gerichte controles. Zie voor een en ander par. 33.5.7.
Ik zou willen betogen dat de Nederlandse wetgever zich kennelijk stilzwijgend heeft aangesloten bij de opvattingen omtrent het begrip 'geldige groene kaart' in de kringen van de Bureaus. Zie ook par. 4.53.6.
In beginsel stelt het Bureau zich garant voor de afwikkeling van de schade die door een bezoekend motorrijtuig wordt veroorzaakt als de bestuurder van dat motorrijtuig in het bezit is van een geldige groene kaart. De garantie van het Bureau voor ongevallen die zijn veroorzaakt door bezoekende voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van andere lidstaten of daarmee gelijk gestelde derde landen, kan als een uitzondering op deze regel worden gezien.1 Zie art. 8 lid 1 tweede alinea van de Richtlijn.
Voor ongevallen in Nederland betekent dit het volgende: tenzij het aansprakelijke voertuig gewoonlijk gestald is in een der lidstaten, alsmede Andorra, Kroatië of Zwitserland dient voor het Nederland bezoekende buitenlandse voertuig een geldige groene kaart te zijn afgegeven. Omgekeerd dient de Nederlander die een ander bij het groenekaartstelsel aangesloten land dan de hier genoemde wil bezoeken, aan de grens een geldige groene kaart te kunnen tonen.
In het stelsel van de Wam zijn gewoonlijk in het buitenland gestalde motorrijtuigen vrijgesteld van de verzekeringsplicht, mits het Bureau, dan wel een groep van verzekeraars, dan wel een in Nederland gevestigde buitenlandse instantie, de verplichting op zich heeft genomen om benadeelden conform de Wam schadeloos te stellen.2 De Nederlandse Wam is cryptisch over de voorwaarden waaronder het Bureau aansprakelijkheid aanvaardt voor ongevallen die door bezoekende motorrijtuigen worden veroorzaakt.
Wel bepaalt zij uitdrukkelijk dat het Nederlands Bureau aansprakelijkheid aanvaardt voor ongevallen die zijn veroorzaakt door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van staten die worden vermeld in de AMvB ex art. 2 lid 83, maar zij zwijgt over de grondslag van de aansprakelijkheid voor voertuigen uit andere landen.
Toch mogen wij ervan uitgaan dat de Nederlandse wetgever bij het toelaten van voertuigen uit andere landen dan die genoemd in de AMvB op grond van art. 2 lid 8 Wam heeft gedacht aan de groene kaart. Nederland heeft immers Aanbeveling nr. 5 van de UNECE overgenomen en daarmee de verplichting op zich genomen om bezoekende voertuigen tot zijn grondgebied toe te laten als voor deze voertuigen een geldig IVB is afgegeven.4
In dit verband zij opgemerkt dat de bepaling van art. 2 lid 7 onderdeel d) van de Wam - in theorie meebrengt dat het Nederlands Bureau - indien in Nederland een ongeval wordt veroorzaakt door een onverzekerd voertuig met een GN- of BN-kenteken - moet worden aangesproken, en niet het Waarborgfonds Motorverkeer, dit ondanks de omstandigheid dat het kenteken wel degelijk door de RDW is afgegeven. Zij worden immers als gewoonlijk in het buitenland gestalde voertuigen beschouwd. In paragraaf 3.4.4.5 onder d is reeds betoogd dat de Wam in dit opzicht strijdig is met de Richtlijn.
Het zwijgen van de Wam over het IVB betekent ook dat de Wam zich niet uitlaat over de vraag wat naar Nederlands recht onder een geldig IVB moet worden verstaan. Voor deze vraag zullen wij, bij gebrek aan andere bronnen, moeten onderzoeken wat de Bureaus daaronder verstaan.5 Daarbij past wel een kanttekening. Overeenkomsten binden alleen partijen en benadeelde derden zijn dus niet gebonden aan de uitwerking die de Bureaus aan het begrip geven. Toch is het van belang de overeenkomsten op dit aspect nader te onderzoeken, in de eerste plaats omdat aan de rechter weinig andere bronnen ter beschikking staan, maar ook omdat de overeenkomsten weliswaar het begrip geldige groene kaart soms enger uitleggen dan men wellicht zou verwachten, maar anderzijds onder omstandigheden documenten als geldige groene kaart aanvaarden, die ongeldig, zelfs vals zijn. Aan de inhoud die het begrip 'geldige groene kaart' in de relaties tussen de Bureaus heeft, zijn de volgende deelparagrafen gewijd. Een geldige groene kaart heeft zowel aan formele als aan inhoudelijke en vormvereisten te voldoen. Aan die aspecten zijn de paragrafen 4.5.3.2 en 4.533 gewijd. Onder omstandigheden wordt ook een document dat aan deze voorwaarden niet voldoet als geldig aangemerkt. Die situatie wordt behandeld in paragraaf 4.53.4. In paragraaf 4.5.3.5 wordt ingegaan op de vraag hoe de benadeelde kan aantonen dat de aansprakelijke in het bezit was van een geldige groene kaart. Paragraaf 4.53.6 sluit af met de bespreking van de vraag welke betekenis deze afspraken tussen de Bureaus hebben voor de relatie van de benadeelde tot het Bureau.