Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.3.5
4.5.3.5 Het bewijs van het bestaan van een groene kaart
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394768:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de eerste jaren van het groenekaartstelsel gaven verzekeraars de kaart met een duplicaat aan hun verzekerden af. Dit duplicaat kon de verzekerde bij een ongeval aan de benadeelde meegeven en met het origineel kon hij zijn reis vervolgen. Aan deze praktijk is uit kostenoverwegingen een einde gekomen.
Deze termijn van drie maanden verhoudt zich slecht met de ook voor de Bureaus van de lidstaten geldende termijn van drie maanden waarbinnen zij de benadeelde een gemotiveerd antwoord op zijn verzoek om schadevergoeding moeten geven. De Council of Bureaux overweegt inkorting van de termijn van drie maanden voor de bevestiging van de geldigheid van de groene kaart, alsmede voor de bevestiging dat een voertuig gewoonlijk is gestald op het grondgebied van een bepaalde lidstaat of daarmee gelijk gesteld derde land. Zie par. 4.5.4.4 en 5.4.2.4.
Uit de algemene regels van het bewijsrecht vloeit voort dat de benadeelde moet stellen - en bij betwisting bewijzen - dat aan de voorwaarden voor een aanspraak op het 'regelend' Bureau is voldaan. Dat betekent in deze context dat hij moet aantonen dat voor het schadeveroorzakende voertuig een op het tijdstip van het ongeval en in het land van het ongeval geldige groene kaart was afgegeven. Slechts zelden zal hij aan deze bewijsopdracht kunnen voldoen door de groene kaart zelf over te leggen.1 Dat roept de vraag op hoe de benadeelde dat bewijs wel zal kunnen bijbrengen. Ook hierover is een genuanceerd stelsel van Council-besluiten genomen.
De Internal Regulations zelf bevatten omtrent dat bewijs geen regels. Zij bepalen slechts in art. 8 dat verzoeken van het 'regelend' Bureau om bevestiging van het bestaan van een geldige groene kaart, per e-mail of fax aan het veronderstelde garanderend Bureau moeten worden gericht en dat daarop binnen drie maanden een definitief antwoord moet worden gegeven.2 Bij gebreke van een dergelijke reactie binnen deze termijn, wordt de kaart geacht geldig te zijn. Het moet daarbij wel gaan om een identtfied Green Card. Om van een identified Green Card te kunnen spreken moeten volgens de afspraken binnen de Council of Bureaux ten minste de volgende gegevens beschikbaar zijn:
— de naam of de internationale letters van het garanderend Bureau;
— de naam en/of de administratieve code van de verzekeraar; en
— het nummer van de betreffende groene kaart.
Een van de consequenties van de eis dat een groene kaart moet kunnen worden geïdentificeerd alvorens de driemaands periode voor het bevestigen van de geldigheid ervan aanvangt, is dat een algemeen verzoek, gericht aan een potentieel garanderend Bureau om na te gaan of voor het aansprakelijke voertuig een groene kaart is afgegeven, niet binnen deze periode behoeft te worden beantwoord. Ik zou er overigens van willen uitgaan dat het aangesproken Bureau wel verplicht is binnen zijn mogelijkheden na te gaan of de verzekeraar een groene kaart heeft afgegeven. Meestal zal het immers voor het garanderend Bureau op vrij eenvoudige wijze mogelijk zijn de verzekeraar te achterhalen, bijvoorbeeld door raadpleging van de betreffende overheidsregisters, zodat het mogelijk is de verzekeraar om inlichtingen te vragen.
De vraag wanneer een groene kaart is 'geïdentificeerd' is - zoals hiervoor aangegeven relevant, omdat alleen dan een verzoek om bevestiging van de geldigheid ervan de termijn van drie maanden doet aanvangen.
In een aantal gevallen heeft de Council besloten dat een verzoek om bevestiging niet vereist is. Dat is het geval als voldoende vaststaat dat het 'regelend' Bureau zich zelf ervan heeft kunnen overtuigen dat de groene kaart geldig was, dan wel dat daarvoor andere waarborgen aanwezig geacht kunnen zijn.
In de eerste plaats behoeft geen bevestiging van de geldigheid van de groene kaart te worden gevraagd als het Bureau zelf, dan wel de politie een fotokopie heeft gemaakt, waarbij bij de door het Bureau gemaakte kopie als aanvullende voorwaarde wordt gesteld dat zij door het Bureau wordt gewaarmerkt als door hem van het origineel gemaakt. Heeft het 'regelend' Bureau de fotokopie niet zelf gemaakt, maar zijn de bijzonderheden van de kaart - waaronder de identiteit van het garanderend Bureau, de naam en/of code van de verzekeraar en het nummer van de groene kaart, alsmede de ingangs- en expiratiedatum van de kaart - opgenomen in een politierapport, dan mag het 'regelend' Bureau ook van de geldigheid van de kaart uitgaan en behoeft geen bevestiging aan het garanderend Bureau te worden gevraagd.
In veruit de meeste gevallen beschikt het 'regelend' Bureau echter niet over een politierapport waarin al deze gegevens zijn vermeld en evenmin over een fotokopie van de groene kaart, laat staan dat het deze fotokopie zelf heeft vervaardigd. Dat betekent dat het garanderend Bureau vrijwel altijd om bevestiging van het bestaan en de geldigheid van een groene kaart moet worden gevraagd.
Tot slot van deze paragraaf over het bewijs van het bestaan van een geldige groene kaart zij opgemerkt, dat de in de vorige paragraaf besproken kwestie van de geldigheid van valse of ongeoorloofd gewijzigde groene kaarten van bescheiden belang is. Zij kan immers alleen een rol spelen, als het 'regelend' Bureau in het bezit is van het origineel van de (valse of ongeoorloofd gewijzigde) groene kaart, dan wel van een door de politie dan wel door het Bureau zelf vervaardigde (en in dat geval gewaarmerkte) fotokopie, dan wel als het politierapport of proces-verbaal alle relevante gegevens van de betrokken kaart bevat. In de overige situaties zal het 'regelend' Bureau immers om bevestiging van de geldigheid van de kaart moeten vragen, een bevestiging die waarschijnlijk niet zal worden gegeven.