Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.4.2.1
3.4.2.1 Het aanvangsmoment van de korte verjaringstermijn
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973621:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 (Vellekoop/Wilton Fijenoord); HR 24 januari 2003, NJ 2003/300 (BASF/Rensink); HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 (Saelman); HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903, NJ 2006/113 (Bosman/G.); HR 27 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8455, NJ 2006/114; HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7942, NJ 2007/377 (Geldermalsen/Plameco); HR 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3569, NJ 2008/203; HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 (Gemeente Stadskanaal/Deloitte & Touche); HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196 (X/Betonmortelfabriek Bemoti) (kantoorgenoten van mij waren bij deze zaak betrokken) en verder HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017/165 (Mispelhoef/Staat); HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:667, NJ 2018/239 (TMG/Staat); HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, NJ 2021/187; HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653, NJ 2023/159; HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:20124:18 (X/Deutsche Bank); HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:19 (Variety B.V. c.s./Deutsche Bank).
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 (Saelman).
HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017/165 (Mispelhoef/Staat), r.o. 3.3.2; HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, NJ 2021/187, r.o. 3.3.2.
Idem.
HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196 (X/Betonmortelfabriek Bemoti), r.o. 3.6.
Asser/Sieburgh 6-II 2021/415, met verwijzing naar HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 (Gemeente Stadskanaal/Deloitte & Touche) en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017/165 (Mispelhoef/Staat). Die laatste verwijzing door Sieburgh verdient m.i. enige nuancering, omdat eiseres Mispelhoef in deze kwestie nu juist wel onderzoek naar de verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat voor de schade heeft gedaan. In de procedure stond de vraag centraal of de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW reeds begon te lopen op het moment waarop Mispelhoef aanleiding zag dat onderzoek te starten, of pas een aanvang nam na afronding van dat onderzoek. Het hof vond het eerste, de Hoge Raad het laatste.
Conclusie A-G Hartkamp bij HR 20 april 2001, NJ 2004/382 (Wong/Mr. X), sub 8.
Du Perron, annotatie bij HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196 (X/Betonmortelfabriek Bemoti).
Smeehuijzen 2008, p. 228.
HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, NJ 2018/239 (TMG/Staat), r.o. 3.3.3; HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017/165 (Mispelhoef/Staat), r.o. 3.3.2.
Zie HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903, NJ 2006/113 (Bosman/G.).
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496 (Kramer/Van Lanschot); HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497 (Van de Steeg/Rabobank).
HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, NJ 2021/187, r.o. 3.3.3, zoals bevestigd in HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653, NJ 2023/159.
Zie de annotatie van Smeehuijzen, NJ 2021/1837 en de annotatie van Strijbos, JOR 2020/302.
Over de korte verjaringstermijnen heeft de Hoge Raad de afgelopen twintig jaar een forse stroom uitspraken gewezen.1 Haast jaarlijks verschijnt er een arrest over (een van) de korte verjaringstermijnen, met name over de korte termijn van art. 3:310 lid 1 BW. De pointe van die rechtspraaklijn is dat de Hoge Raad bij de bepaling van het aanvangsmoment van de korte verjaringstermijnen hoge eisen stelt aan de bekendheid van de schuldeiser met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Zoals hiervoor in par. 3.2 aangegeven, benadrukt de Hoge Raad reeds met het Saelman-arrest uit 2003 in het kader van art. 3:310 lid 1 BW dat het om daadwerkelijke, subjectieve bekendheid van de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon moet gaan.2 Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend handelen van de betrokken persoon.3
In Saelman treden bij de geboorte van een kind in 1987 ernstige complicaties op, waardoor blijvend hersenletsel bij het kind ontstaat. Pas tijdens een gesprek tussen de ouders en de betrokken gynaecoloog in 1994, zeven jaar later dus, blijkt de ouders dat tijdens de bevalling medische fouten zijn gemaakt. Hoewel zij dus tijdens de bevalling al wisten dat er schade was ontstaan en zij de betrokken behandelaars kenden, ontstaat pas voldoende zekerheid om een claim geldend te maken na dit gesprek.4
Dit roept de vraag op in hoeverre in het kader van de aanvang van de korte verjaringstermijnen een onderzoeksplicht op de benadeelde rust. De Hoge Raad neemt in zijn arrest van 3 december 2010 aan dat de verjaringstermijn een aanvang kan nemen op het moment dat de benadeelde de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen. Als die identiteit gemakkelijk kan worden vastgesteld, mag van de benadeelde in beginsel worden verlangd dat hij zich inspant om erachter te komen wie voor de schade aansprakelijk is.5 Uit dit arrest kan worden afgeleid dat wanneer de identiteit van de aansprakelijke persoon voor de benadeelde eenvoudig achterhaald kan worden, dit van hem mag worden verwacht.
In andere arresten is de Hoge Raad niet expliciet over de mate waarin een onderzoeksplicht voor de benadeelde geldt of kan gelden. Volgens Sieburgh is uit de rechtspraak van de Hoge Raad af te leiden dat in beginsel geen onderzoeksplicht op de benadeelde rust.6 Hartkamp heeft betoogd dat het aannemen van een onderzoeksplicht een ongewenste objectivering van het aanvangsmoment van de korte termijn met zich zou brengen, waar subjectieve wetenschap voorop moet staan:
“Niet kan worden gezegd dat een subjectief criterium niet in het stelsel van de wet zou passen. Enerzijds komt dat criterium ook elders voor (zie het genoemde art. 3:52 BW), anderzijds vormt de lange termijn een objectief “vangnet”. Ik ben er daarom geen voorstander van om bij de korte termijn een onderzoeksplicht – waar een objectief criterium op neer zou komen – aan te nemen.”7
Daar staat tegenover dat, zoals Du Perron dat treffend verwoordde, de benadeelde zich ook weer niet ‘van den domme mag houden’.8 De schuldeiser kan geacht worden enig onderzoek te doen als hij reden heeft om aan te nemen dat sprake is van aansprakelijkheid van een bepaalde persoon. Deze opmerking van Du Perron sluit goed aan bij de overwegingen van de Hoge Raad in zijn hiervoor genoemde arrest van 3 december 2010.
Smeehuijzen wil verder gaan dan de hiervoor genoemde auteurs. Hij stelt dat als de schuldeiser weet dat hij mogelijk een vordering heeft, hij ook weet dat er mogelijk een schadeveroorzaker is waarmee hij rekening heeft te houden. In dat kader kan enig onderzoek van de schuldeiser worden verlangd, aldus Smeehuijzen. Die redenering is ingegeven door de gedachte dat het er bij de korte verjaringstermijn ‘ten gronde om gaat vanaf welk moment van de benadeelde redelijkerwijze actie verlangd mag worden’.9
Ik ben het daar niet mee eens. Deze redenering is te veel op het leerstuk rechtsverwerking geënt. Bij rechtsverwerking gaat het inderdaad om de vraag wanneer de schuldeiser redelijkerwijze actie moet ondernemen. Rechtsverwerking is, zoals eerder in dit boek aangegeven, een sanctie op schending van de plicht om duidelijk aan de schuldenaar te communiceren dat de schuldeiser vasthoudt aan zijn rechten. Verjaring veronderstelt daarentegen geen plicht om in actie te komen. Verjaring stelt slechts een tijdsbeperking aan het geldend maken van de vordering door de schuldeiser, die verder vrij is om van die mogelijkheid wel of niet gebruik te maken. Bij de korte verjaringstermijn is die tijdsbeperking gebonden aan het moment waarop de schuldeiser daadwerkelijk bekend is met zijn vordering. De rechtspraak van de Hoge Raad, waaruit ten aanzien van de korte verjaringstermijn de nodige voorzichtigheid blijkt met betrekking tot het aannemen van een onderzoeksplicht, sluit goed aan bij de gedachte dat de schuldeiser bij verjaring geen plicht heeft om in actie te komen. Zoals in par. 3.4.2.2 hierna zal blijken, heeft de onderzoeksplicht een grotere rol bij art. 6:89 BW. Dit verschil kan worden verklaard vanuit het Obliegenheit-karakter van de wettelijke klachtplichten. De daaraan ten grondslag liggende consistentieplicht kan meebrengen dat van de schuldeiser wordt verwacht dat hij de ontvangen prestatie op deugdelijkheid onderzoekt. Bij verjaring ontbreekt dit plichtkarakter, zodat logisch is dat in dat verband minder snel een onderzoeksplicht wordt aangenomen.
Overigens verdient opmerking dat voor de verjaring van nakomingsvorderingen uit hoofde van een verbintenis op grond van art. 3:307 BW een objectiever aanvangsmoment geldt, namelijk het moment van opeisbaarheid van de betreffende vordering. Dat is in dit verband echter niet relevant, omdat het raakvlak van art. 6:89 BW en de korte verjaringstermijnen op het gebied van de non-conformiteit ligt.
Op één punt heeft de verjaringsrechtspraak echter lange tijd toch een objectiveringstendens gehad. De Hoge Raad heeft in een bestendige stroom arresten overwogen dat onbekendheid of onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten die relevant zijn voor de schade en de aansprakelijke persoon de aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW niet verhindert.10 Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat rechtsdwaling voor rekening van de dwalende moet blijven.11 In het kader van art. 6:89 BW is de Hoge Raad evenwel sinds de februari-arresten van 2013 de opvatting toegedaan dat de schuldeiser pas een klachtplicht heeft zodra hij bekend is met het feit dat de bank een juridische zorgplicht jegens hem heeft.12 In dit verband wordt een gebrek aan juridische kennis de schuldeiser dus niet tegengeworpen. Bij arrest van 9 oktober 2020 neemt de Hoge Raad deze inconsistentie tussen de aanvang van de korte verjaringstermijn en de wettelijke klachtplichten weg door ten aanzien van art. 3:310 lid 1 BW te overwegen dat de juridische beoordeling niet ziet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen:
“Deze juridische beoordeling ziet niet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen, anders dan uit eerdere uitspraken van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid. Het ontbreken van deze kennis of dit inzicht kan immers betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Evenals de juiste kennis of het juiste inzicht kan ontbreken ten aanzien van de ondeugdelijkheid van bijvoorbeeld medisch handelen (…), kan dat het geval zijn ten aanzien van het handelen van bijvoorbeeld een fiscaal of juridisch dienstverlener (…). Onder omstandigheden kan een benadeelde dan ook pas geacht worden voldoende zekerheid te hebben dat hij schade heeft geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, wanneer hij kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel.”13
De Hoge Raad verwijst bij deze overwegingen expliciet naar zijn arrest Van de Steeg/Rabobank. Het arrest van 9 oktober 2020 is in de literatuur met instemming ontvangen.14 Ik sluit mij daarbij aan. De oude lijn van de Hoge Raad verdraagt zich niet goed met het subjectieve karakter van de korte verjaringstermijn en de in dat verband beperkte rol van de onderzoeksplicht. Het uitgangspunt dat eenieder de wet behoort te kennen is tot op zekere hoogte als fictie te beschouwen. Dat is temeer het geval wanneer de prestatie van de schuldenaar uit juridisch of sterk juridisch getint advies bestaat aan een juridische leek als schuldeiser, zoals het geval was bij het belastingadvies in het voornoemde arrest van de Hoge Raad uit 2020.