Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.4.2.3:3.4.2.3 Conclusie
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.4.2.3
3.4.2.3 Conclusie
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973537:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande blijkt dat met betrekking tot het vereiste kennisniveau bij de schuldeiser van het gebrek in de prestatie of de fout van de schuldenaar voor aanvang van de klachttermijn en de verjaringstermijn geen wezenlijke inhoudelijke verschillen bestaan. Er is zelfs sprake van enige expliciete convergentie van de door de Hoge Raad geformuleerde beoordelingskaders. De vraag rijst of het problematisch is dat deze juridische kaders zoveel overeenstemming vertonen. Ik denk van niet. Het is onvermijdelijk dat bij twee rechtsfiguren met een subjectief aanvangsmoment voor een termijn soortgelijke toepassingsvereisten gelden. In dit aspect van de bepaling van het aanvangsmoment van de klachttermijn en de korte verjaringstermijn schuilt ook niet zozeer het onderscheidende element van verjaring ten opzichte van de klachtplichten. Dat element moet veel meer gezocht worden in het belang van de onderzoeksplicht voor bepaling van de aanvang van de termijn en, bovendien, de termijn zelf, waarover ik in de volgende paragraaf kom te spreken.
Uit het voorgaande blijkt een verschil tussen de wettelijke klachtplichten en de korte verjaringstermijn met betrekking tot het belang van de onderzoeksplicht van de schuldeiser. De aanvang van de klachttermijn staat op grond van de wettekst en de wetsgeschiedenis nadrukkelijker in de context van een onderzoeksplicht dan het aanvangsmoment van de korte verjaringstermijn. Op dit punt bestaat dus een verschil voor het startmoment van beide termijnen, waarbij moet worden opgemerkt dat de Hoge Raad het belang van de onderzoeksplicht bij art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW relativeert in gevallen van ongelijkwaardige partijverhoudingen of informatie-asymmetrie. Hoe het ook zij, dit verschil past bij het Obliegenheit-karakter van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW, welk karakter meebrengt dat deze klachtplichten een plicht behelzen om, gelet op het belang van de schuldenaar, in actie te komen. Uit een dergelijke plicht kan heel goed een onderzoeksplicht voortvloeien. Dat karakter ontbreekt bij de korte verjaringstermijn. Daar sluit goed bij aan dat de onderzoeksplicht in dat verband van ondergeschikt belang is.
Het belang van de onderzoeksplicht in het kader van de klachtplichten zou erin kunnen resulteren dat in de gegeven omstandigheden een klachtplicht wordt aangenomen, terwijl de verjaringstermijn nog geen aanvang neemt. In dat geval zou de wettelijke klachtplicht de korte verjaringstermijn in theorie de pas af kunnen snijden. De vraag of dat erg is, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de eerste plaats wil de vaststelling dat de klachttermijn is aangevangen nog niet zeggen dat die termijn ook geschonden is. Volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de klachttermijn immers in beginsel niet geschonden zolang niet van concreet nadeel aan schuldenaarszijde is gebleken als gevolg van het talmen van de schuldeiser. Als dat concrete nadeel er daadwerkelijk zou zijn en van die mate is dat ten opzichte van de schuldenaar niet te rechtvaardigen is dat de schuldeiser vervolgens het betrokken recht nog geldend maakt, komt het mij niet onredelijk voor dat de klachtplicht wordt toegepast.
Dit roept de vraag op hoe de rechtspraak van de Hoge Raad over de klachttermijn zelf precies moet worden geduid en hoe de uitwerking daarvan zich verhoudt tot de onderzoeksplicht bij art. 6:89 en tot de korte verjaringstermijn. Op die vraag ga ik in de volgende paragraaf verder in.