Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/2.5.1
2.5.1 Algemeen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396085:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld hiervan is het instrument voor pre-toetredingssteun (IPA). Dit programma ziet louter op landen die nog geen lid zijn van de EU. Zie de Verordening nr. 1085/2006, Pb 2006, L 210, 82. Het IPA ziet op de landen Kroatië, Turkije en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.
Voorbeelden hiervan zijn de Europese subsidieregelingen Marco Polo II (Verordening nr. 1692/2006, Pb 2006, L 328/1) en Progress (Besluit nr. 1672/2006, Pb 2006, L 315/1).
Zie de Verordening nr. 614/2007, Pb. 2007, L 149/1.
Zie het Besluit nr. 1298/2008, Pb. 2008, L 340/83.
Zie de Verordening nr. 680/2007, Pb. 2007, L 162/1
Zie bijvoorbeeld het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds, COM (2011) 615 def.
In dit onderzoek gaat het om de Europese subsidieregelingen die worden uitgevoerd door nationale uitvoeringsorganen in de lidstaat Nederland. Dit betekent dat Europese subsidieregelingen die niet in Nederland ten uitvoer worden gelegd omdat Nederland als lidstaat niet aan de subsidievoorwaarden voldoet om aan deze regelingen deel te nemen, geen voorwerp van onderzoek zijn.1 Hetzelfde geldt voor Europese subsidieregelingen op grond waarvan de subsidieverstrekking aan de Europese Commissie of uitvoerende Europese agentschappen is overgelaten en Nederlandse uitvoeringsorganen geen enkele rol spelen bij de uitvoering daarvan.2
De Europese subsidieregelingen die na voormelde afbakening binnen het kader van dit onderzoek vallen, zijn te verdelen in twee hoofdcategorieën. Allereerst gaat het om de Europese subsidies die worden verstrekt door Nederlandse uitvoeringsorganen aan de eindontvangers. Het gaat hier om subsidieverstrekking in gedeeld beheer met de lidstaten (structuurfondsen, ELFPO, ELGF, Europees Visserijfonds, de migratiefondsen, het Europees Jaar van de armoede 2010 en het Europees Globaliseringsfonds) en door nationale privaatrechtelijke organisaties van de lidstaat Nederland (Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie). De tweede hoofdcategorie ziet op de Europese subsidies die weliswaar rechtstreeks door de Europese Commissie of uitvoerende Europese agentschappen worden verstrekt, maar waarbij aan Nederlandse uitvoeringsorganen wel bepaalde taken zijn toegekend, zoals het maken van een voorselectie ten behoeve van de aanvragen die bij de Europese Commissie worden ingediend en de controle en handhaving (Life+,3 Erasmus Mundus4 en de Transeuropese netwerken5).
In het vervolg van deze paragraaf worden de belangrijkste Europese subsidieregelingen besproken op grond waarvan Nederlandse uitvoeringsorganen Europese subsidies verstrekken en derhalve een subsidieverhouding ontstaat tussen het Nederlandse uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie. In paragraaf 2.5.2 wordt eerst een beknopte beschouwing gegeven over de geschiedenis van de Europese subsidies. In de daarop volgende paragrafen worden achtereenvolgens besproken: de structuurfondsen, de Landbouwfondsen, het Europees Visserijfonds, de migratiefondsen, het Europees Globaliseringsfonds, het Europees Jaar van de Armoede, Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie. Opgemerkt zij dat daarbij wordt uitgegaan van de Europese subsidieregelingen zoals deze gelden in de programmaperiode 20072013. Waar relevant voor dit onderzoek wordt ingegaan op Europese subsidieregelingen uit voorgaande programmaperioden. Dit heeft ermee te maken dat de Europese en nationale jurisprudentie die in de vervolghoofdstukken zal worden besproken in veel gevallen betrekking heeft op vorige programmaperioden. Europese en nationale jurisprudentie over de programmaperiode 2007-2013 bestaat mondjesmaat, nu de definitieve afrekening met de Europese Commissie over die periode nog niet heeft plaatsgevonden. De ervaring leert dat de meeste geschillen ontstaan naar aanleiding van Commissiebesluiten tot terugvordering van Europese subsidies die zijn gericht tot de lidstaat. Op basis daarvan zullen nationale uitvoeringsorganen op hun beurt de Europese subsidies terugvorderen van de eindontvangers van de Europese subsidies.
In hoofdstuk 1 is besproken dat met ingang van 2014 een nieuwe programmaperiode van start gaat. Dit betekent dat de Europese subsidieregelgeving zal worden gewijzigd. Hiertoe heeft de Europese Commissie reeds voorstellen gedaan.6 Bij de bestudering van de Europese subsidieregelgeving door de verschillende programmaperioden heen, valt op dat de rode draad in deze regelgeving gelijk blijft. Bestudering van de nieuw aangekondigde regelgeving wijst uit dat dat ook voor deze regelgeving opgaat. Waar relevant zullen belangrijke aangekondigde wijzigingen worden meegenomen.