Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.3
6.3 Rechtspositie schuldeisers na homologatie akkoord
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS449764:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Of de rechtbank, indien een rechter-commissaris ontbreekt.
Molengraaff, De Faillissementswet verklaard, p. 645 en Polak-Polak, p. 476. Zie ook Verschoof, (T&C Insolventierecht), art. 274 Fw, aant. 4 en 5.
Vgl. art. 126 lid 1 Fw.
Vreeswijk, diss. (1973), p. 50.
Indien de rechter-commissaris een schuldeiser van een betwiste vordering toelaat tot de stemming over het akkoord, geeft hij hiermee te kennen dat er redenen aanwezig zijn om het bestaan van de vordering te mogen aannemen. Hoewel de bevindingen van de rechter-commissaris geen invloed hebben op de status van de vordering, de vordering is en blijft een betwiste vordering, doen ze echter wel ter zake bij de beoordeling van het verzoek tot ontbinding van een akkoord. Dit zal in paragraaf 7.3.3 e.v. nader worden besproken.
Hiervoor is de gebondenheid van schuldeisers aan een gehomologeerd akkoord besproken. Daaruit is gebleken dat ondanks de dwingendrechtelijke gebondenheid van art. 157 Fw niet alle schuldeisers eenzelfde positie innemen jegens de schuldenaar. Hoewel de concurrente schuldeisers aan een gehomologeerd akkoord zijn gebonden, kan niet ieder van hen zonder meer nakoming vorderen van het akkoord. In deze paragraaf zullen de diverse posities die schuldeisers ten aanzien van de schuldenaar en het akkoord kunnen innemen nadat het faillissement door een akkoord is geëindigd, nader worden onderzocht. In dat verband wordt nagegaan onder welke voorwaarden een schuldeiser een executoriale titel ex art. 159 Fw op de schuldenaar verkrijgt. Aangezien de surseance in art. 274 Fw een regeling kent die niet gelijk is aan art. 159 Fw, zal daarop apart worden ingegaan.
Rechtspositie schuldeiser van een in faillissement erkende vordering
Een schuldeiser wiens vordering in het faillissement is erkend en niet door de schuldenaar overeenkomstig art. 126 Fw is betwist, verkrijgt na afloop van het faillissement op grond van art. 159 Fw een executoriale titel jegens de schuldenaar. Art. 159 Fw luidt als volgt:
"Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal der verificatie, ten behoeve der erkende vorderingen, voor zoover zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen."
Rechtspositie schuldeiser van een in faillissement betwiste vordering
Indien de schuldenaar een vordering krachtens art. 126 Fw heeft betwist, verkrijgt de betrokken schuldeiser nadat het faillissement is geëindigd, geen executoriale titel. Hoewel de betwisting door de schuldenaar niet de erkenning van de vordering in het faillissement verhindert (art. 126 lid 1, slot), heeft de betwisting wel tot gevolg dat het vorderingsrecht tegenover de schuldenaar niet onherroepelijk is komen vast te staan. Het gevolg vervat in art. 121 lid 4 Fw ziet derhalve niet op deze situatie. Indien een schuldeiser van een door de schuldenaar betwiste vordering nakoming van het akkoord wil afdwingen, zal hij eerst het bestaan en de omvang van zijn vordering in een 'gewone' procedure tegen de schuldenaar moeten laten vaststellen en aldus een executoriale titel verwerven.
Het voorgaande geldt evenzeer in de situatie dat niet de schuldenaar, maar de curator en/of een medeschuldeiser een vordering betwisten. Er heeft dan ex art. 122 Fw een verwijzing naar de renvooiprocedure plaatsgevonden. Indien in deze procedure nog geen beslissing is genomen en het faillissement is geëindigd door een akkoord, dan blijft de vordering een betwiste vordering. Ook in deze situatie valt de betreffende schuldeiser van de betwiste vordering niet onder het bereik van art. 159 Fw.
Rechtspositie schuldeiser die voorwaardelijk is toegelaten
Een betwisting door de schuldenaar in het faillissement heeft voor de erkenning van de vordering in het faillissement geen enkel gevolg (art. 126 lid 1 Fw). De vordering wordt in het faillissement aangemerkt als een erkende, maar door de schuldenaar betwiste vordering. Indien in het faillissement de schuldenaar ten aanzien van een bepaalde vordering de enige betwistende partij is, wordt de vordering in het faillissement erkend. Een voorwaardelijke toelating door de rechter-commissaris is in die situatie niet aan de orde.1 In faillissement speelt de voorwaardelijke toelating van art. 125 Fw eerst een rol, indien de curator en/of een medeschuldeiser een vordering betwisten. Indien de rechter-commissaris de twistende partijen niet kan verenigen, dient hij ze te verwijzen naar de renvooiprocedure (art. 122 Fw). Daarnaast dient de rechter-commissaris te beslissen of hij een schuldeiser van een betwiste vordering voorwaardelijk zal toelaten tot onder meer de stemming over het aangeboden akkoord. Voor het al dan niet verkrijgen van de executoriale titel van art. 159 Fw zal de uitkomst van de renvooiprocedure bepalend zijn. Het voorgaande betekent dat een voorwaardelijke toelating door de rechter-commissaris de rechtspositie van de betreffende schuldeiser niet verandert. Hoewel een voorwaardelijke toelating van een schuldeiser wiens vordering in de renvooiprocedure niet is komen vast te staan, invloed heeft op de getalsverhoudingen van art. 145 Fw, heeft dat ingevolge art. 147 Fw geen invloed op de geldigheid van het akkoord.
Renvooiprocedure
Er kan een verwijzing naar de renvooiprocedure plaatsvinden in het geval een vordering wordt betwist door de schuldenaar, de curator of een medeschuldeiser. Het faillissement kan echter worden beëindigd, terwijl de renvooiprocedure nog lopende is. Op grond van art. 122a Fw wordt de genoemde procedure van rechtswege geschorst, indien de curator de betwistende partij is. Dit zal alleen anders zijn, wanneer de procedure reeds zo ver is gevorderd dat de rechter op grond van de overgelegde stukken een beslissing kan nemen. Indien de vordering dan door de rechter wordt erkend, wordt zij geacht in het faillissement te zijn erkend. Bedacht dient hier echter te worden dat de vordering in het proces-verbaal van de verificatie opgenomen staat als een betwiste vordering. In verbinding met art. 159 Fw zou deze schuldeiser geen executoriale titel kunnen verkrijgen. Uit art. 122a Fw meen ik echter te mogen afleiden dat het vonnis van de rechter in de renvooiprocedure waarin de vordering wordt erkend in de plaats komt van hetgeen in het proces-verbaal ten aanzien van die vordering staat opgenomen. Dit betekent dat de schuldeiser wiens vordering in de renvooiprocedure door de rechter wordt erkend, ingevolge art. 159 Fw een executoriale titel verkrijgt ondanks dat de vordering in het proces-verbaal staat opgenomen als een betwiste vordering, althans voor zover de schuldenaar de vordering in het faillissement niet heeft betwist. Indien de rechter echter geen beslissing kan nemen, betekent de schorsing van de procedure dat de betreffende vordering een betwiste vordering blijft en de schuldeiser van de betwiste vordering niet onder het bereik van art. 159 Fw komt te vallen.
In het geval een medeschuldeiser de betwistende partij is en het faillissement eindigt voordat er een beslissing is genomen in de renvooiprocedure, kan het proces ingevolge art. 122a lid 5 Fw uitsluitend worden voortgezet ter bepaling van de proceskosten. De vordering blijft een betwiste vordering, zodat ook deze schuldeiser na afloop van het faillissement niet de executoriale titel van art. 159 Fw verkrijgt.
Rechtspositie schuldeiser van een in surseance niet door de schuldenaar betwiste vordering
Hoewel art. 274 Fw qua strekking en gevolg gelijk is aan art. 159 Fw, kent de surseance een verificatie- noch een renvooiprocedure en vindt er geen vaststelling van vorderingen plaats zoals in faillissement. De ingediende vorderingen kunnen echter wel worden erkend dan wel betwist door de bewindvoerder, de schuldenaar en de medeschuldeisers, maar er vindt in surseance geen uitsluitsel plaats over de status van de vorderingen. De erkenning en betwisting van vorderingen door genoemde partijen zien in surseance niet op de vaststelling van vorderingen, maar zijn van belang voor de rechter-commissaris bij het nemen van zijn beslissing om een schuldeiser van een betwiste vordering al dan niet toe te laten tot de stemming over het aangeboden akkoord.2
Een schuldeiser heeft eerst recht op de executoriale titel van art. 274 Fw, indien zijn vordering niet door de schuldenaar is betwist. Nu in surseance een erkenning niet betekent dat een vordering tussen partijen vaststaat, wordt in art. 274 Fw niet langer gesproken van een erkende vordering, maar van een niet door de schuldenaar betwiste vordering.
Rechtspositie schuldeiser van een in surseance betwiste vordering
In het geval de schuldenaar op de voet van art. 266 lid 2 Fw een vordering betwist, is duidelijk dat de schuldeiser van de betwiste vordering het gevolg van art. 274 Fw niet toekomt. Indien deze schuldeiser aanspraak wil maken op het akkoord, dient hij eerst in een gewone procedure zijn recht jegens de schuldenaar te laten vaststellen.
Hoe moet worden omgegaan met de situatie dat de bewindvoerder en/of een medeschuldeiser een vordering betwisten en de schuldenaar niet? Kan de schuldeiser van de betwiste vordering in dat geval aanspraak maken op de executoriale titel van art. 274 Fw? Het antwoord op voornoemde vraag valt niet rechtstreeks uit de bewoordingen van art. 274 Fw op te maken. Molengraaff en Polak menen dat het recht op de executoriale titel eerst kan worden verkregen, indien de vordering door niemand is betwist.3 In het geval de vordering door de bewindvoerder en/of een medeschuldeiser is betwist, maar niet door de schuldenaar, verkrijgt de betreffende schuldeiser in hun visie geen executoriale titel. Om een antwoord op voornoemde vraag te formuleren, wordt hierna onderzocht of binnen het systeem van de wet van belang is door wie de vordering betwist is en zo ja, of dat vervolgens bepalend is voor het kunnen verkrijgen van de executoriale titel van art. 274 Fw.
Uit art. 266 lid 1 Fw volgt dat de bewindvoerder, de schuldenaar en de ter vergadering verschenen schuldeisers een vordering kunnen betwisten. In tegenstelling tot faillissement stelt de wet in art. 266 lid 1 Fw geen motiveringseis aan de betwisting en wegen alle betwistingen, ongeacht van wiens zijde die afkomstig zijn, even zwaar, nu de wet daarin geen onderscheidingen heeft aangebracht.4 De rechter-commissaris is op de voet van art. 267 Fw gehouden de gedane betwistingen nader te beoordelen. In zijn afweging is hij onafhankelijk, al zal een nader gemotiveerde beslissing wel meer gewicht in de schaal leggen dan een ongemotiveerde beslissing. Van wiens zijde de betwisting afkomstig is, zou voor het oordeel van de rechter-commissaris evenmin van belang moeten zijn. Denkbaar is echter wel dat een betwisting door de bewindvoerder vanwege diens onafhankelijke positie eerder zal worden overgenomen. Zoals gezegd, maakt de wet in de artt. 266 en 267 Fw geen enkel onderscheid ten aanzien van de gedane betwistingen. In deze fase is dus nog niet relevant van wiens zijde de betwisting afkomstig is. In het wettelijk systeem wordt pas van belang van wie de betwisting afkomstig is, wanneer aan de surseance ingevolge art. 276 Fw een einde komt. In art. 274 Fw wordt geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van vorderingen die betwist zijn door anderen dan de schuldenaar. Mag hieruit worden afgeleid dat een vordering die door de bewindvoerder en/of een medeschuldeiser is betwist, maar niet door de schuldenaar, de schuldeiser van de betreffende vordering niettemin aanspraak kan maken op de executoriale titel van art. 274 Fw? Nu de wet in art. 274 Fw de uitzondering alleen formuleert ten aanzien van een betwisting door de schuldenaar, is verdedigbaar dat een schuldeiser wiens vordering alleen wordt betwist door de bewindvoerder en/of een medeschuldeiser, een executoriale titel verwerft nadat de surseance is geëindigd. De vordering wordt immers niet door de schuldenaar betwist, zodat de betreffende schuldeiser in beginsel nakoming van het akkoord zou kunnen vorderen.
Zoals hiervoor is opgemerkt, nemen Molengraaff en Polak echter aan dat de executoriale titel van art. 274 Fw alleen toekomt aan een schuldeiser wiens vordering door niemand is betwist. Hoewel art. 274 Fw zich in eerste instantie niet zo laat lezen, sluit een dergelijke lezing wel beter aan bij doel en strekking van de surseance. Bij de surseance gaat het immers niet om het definitief vaststellen van vorderingen. In dat kader zou het meer voor de hand liggen om aan de uitzondering van art. 274 Fw een ruime uitleg te geven, in die zin dat alleen een schuldeiser wiens vordering door niemand wordt betwist, aanspraak kan maken op de executoriale titel van art. 274 Fw. De executoriale titel zou anders heel makkelijk kunnen worden verkregen, terwijl de vorderingsrechten in de surseance niet worden vastgesteld. Daarnaast kan men zich afvragen welke zin een betwisting door de bewindvoerder of een medeschuldeiser heeft, indien een schuldeiser van een betwiste vordering niettemin na afloop van de surseance een executoriale titel verkrijgt. In faillissement zou een schuldeiser van een betwiste vordering in beginsel geen aanspraak kunnen maken op de executoriale titel van art. 159 Fw.
Vreeswijk komt met betrekking tot voorgaande problematiek tot een andere uitkomst. Hij meent dat een betwisting door alleen de bewindvoerder geen betwisting is in de zin van art. 267 Fw:
"Tenslotte doet zich de vraag voor, of betwisting alleen door de bewindvoerder als betwisting in de zin van art. 267 moet worden aangemerkt. In verband met art. 274, dat slechts spreekt van door de schuldenaar niet betwiste vorderingen, zullen de vorderingen, welke alleen door de bewindvoerder zijn betwist, doch niet door de schuldenaar, niet vallen onder de bepaling van art. 267, m.a.w. deze zullen door de rechtbank niet als betwiste vorderingen worden aangemerkt."5
Vreeswijks redenering acht ik niet overtuigend. Een betwisting door de bewindvoerder is in het systeem van de wet een betwisting waarover de rechter-commissaris ingevolge art. 267 Fw heeft te oordelen. In art. 267 Fw wordt een betwisting door de bewindvoerder immers niet uitgezonderd. Het is aan de rechter-commissaris, of hij een schuldeiser van een betwiste vordering al dan niet zal toelaten tot de stemming over het akkoord. In dit stadium maakt de wet derhalve nog geen onderscheid tussen de betwistingen van de schuldenaar, de bewindvoerder of een medeschuldeiser. In het geval een schuldeiser van een betwiste vordering door de rechter-commissaris wordt toegelaten tot de stemming over het aangeboden akkoord, is hiermee immers niet gezegd dat deze schuldeiser ook het recht van art. 274 Fw verkrijgt. De vordering is en blijft ondanks de toelating een betwiste vordering. Een toelating door de rechter-commissaris brengt op zichzelf immers geen verandering aan in de status van de vordering.6
Gezien het voorgaande is het antwoord op de vraag welke schuldeisers het recht van art. 274 Fw verkrijgen, niet eenvoudig te geven. Duidelijk is echter wel dat een schuldeiser wiens vordering door de schuldenaar is betwist, de executoriale titel niet verkrijgt. Nu de surseance in tegenstelling tot faillissement geen vaststelling van vorderingen kent, is er wel wat voor te zeggen om de uitzondering van art. 274 Fw ruim uit te leggen. Een executoriale titel zou anders wel eenvoudig kunnen worden verkregen. Voor de uitleg van art. 274 Fw zouden we om die reden zo veel mogelijk aansluiting moeten zoeken bij het systeem van art.159 Fw.