Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.12:6.12 Slotbeschouwing
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.12
6.12 Slotbeschouwing
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS448554:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 februari 1941, B. 7308 en HR 26 november 1980, BNB 1981/4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen is opgemerkt dat in de literatuur het standpunt wordt ingenomen dat, in het geval een faillissement eindigt door een akkoord, de schuldenaar zonder meer een beroep kan doen op art. 3.13 Wet IB. Gezien het voornoemde besluit van de staatssecretaris van financiën mede naar aanleiding van artikelen hierover in de literatuur, lijkt een en ander in tegenspraak met elkaar. Het standpunt dat in de literatuur wordt ingenomen met betrekking tot het akkoord, onderschrijf ik niet volledig. Het valt mijns inziens niet af te leiden uit de eerder genoemde arresten van 1941 en 1980.1 Verder heb ik betoogd dat de schuldenaar wiens faillissement eindigt door een akkoord niettemin gebruik zou moeten kunnen maken van de regeling van art. 3.13 Wet IB. Hoewel ik uit de jurisprudentie niet helder kan afleiden dat bij een akkoord sprake is van het prijsgeven van vorderingen in de zin van art. 3:13 Wet IB, wordt er met een akkoord wel voldaan aan het vereiste dat de niet-voldane gedeelten van de vorderingen niet langer voor verwezenlijking vatbaar zijn. In dit laatste is mijns inziens de essentie van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB gelegen. In dat licht zou ook een schuldenaar wiens faillissement door een slotuitdelingslijst is geëindigd, gebruik moeten kunnen maken van de fiscale faciliteit van art. 3.13 Wet IB. Ook dan kan immers worden gezegd dat de niet-voldane vorderingen niet langer voor verhaal vatbaar zijn.