Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.3.1
5.3.1 Introductie van het criterium
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS418624:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Popelier 1997, p. 316-318 en Heukels 1990, p. 167.
Weggeman 2001, p. 60.
Vgl. Niessen 1997, p. 658 en Gribnau 1997a, p. 809. De mate van juistheid van deze stelling heb ik niet nader onderzocht.
Vgl. Popelier 1997, p. 318 alwaar zij opmerkt: ‘Het vertrouwensbeginsel wint derhalve aan relevantie, naarmate een rechtsregel minder algemeen wordt gesteld, maar wordt geconcretiseerd naar bepaalde rechtssubjecten.’
In par. 4.4.1.1 noemde ik dat volgens Popelier:
‘het gegeven dat het bestaan van een rechtsregel het determinerend criterium was om een beslissing te nemen of dat deze regel zelfs bewust heeft aangespoord om een bepaalde beslissing te nemen,’
een van de criteria is die meewegen bij het beoordelen van vertrouwen. Op grond van dit criterium is eerbiediging van verwachtingen die zijn ontstaan onder het oude regime op zijn plaats indien een rechtsregel heeft aangezet tot bepaalde activiteiten of beslissingen.
Uit jurisprudentie van met name het Bundesverfassungsgericht en het Hof van Jusitie EG kan worden afgeleid dat ingeval het bestaan van een rechtsregel het determinerende criterium was om een beslissing te nemen, er eerder sprake kan zijn van gerechtvaardigde verwachtingen.1 Weggeman betoogt in dit kader:2
‘In het algemeen mag men er niet vanuit gaan dat regelingen ongewijzigd blijven. Indien men echter op grond van een bestaande regeling in concreto een bepaalde activiteit heeft ondernomen, neemt het vertrouwensbeginsel aan gewicht toe.’
In het belastingrecht wordt het bestaan van de rechtsregel veelal als het determinerende criterium van een beslissing beschouwd indien de oorsprong van de rechtsregel is gelegen in de instrumentele functie van belastingheffing.3 Door middel van deze functie probeert de overheid invloed uit te oefenen op bijvoorbeeld het consumptiepatroon, de economische ontwikkeling en de samenstelling van de nationale productie. Indien de stelling juist is dat de instrumentele functie van belastingheffing belastingplichtigen aanzet tot bepaalde handelingen, kan ervan worden uitgegaan dat binnen de instrumentele belastingregels de rechtsregel het beslissende element vormt.4
Regels die belastingplichtigen proberen aan te zetten tot bepaald gedrag worden ook wel stimulerings- en ontmoedingsmaatregelen genoemd. Om die reden noem ik het criterium hierna ‘het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen’. In par. 5.3.2 en 5.3.3 werk ik nader uit in hoeverre stimulerings- respectievelijk ontmoedigingsmaatregelen kunnen bijdragen aan het ontstaan van gerechtvaardigde verwachtingen.
Het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen speelt alleen een rol bij de afschaffing van een stimuleringsmaatregel of een ontmoedigingsmaatregel (belastende respectievelijk begunstigende wetswijziging). Bij de invoering van deze maatregelen speelt immers niet de vraag of belastingplichtigen mogen verwachten dat het oude regime blijft voortbestaan omdat zij door de wetgever zijn aangezet tot het nemen van een bepaalde beslissing.