Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.2.2:3.2.1.2.2 Het relatieve karakter van het absolute klachtvereiste bij art. 272 Sr
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.2.2
3.2.1.2.2 Het relatieve karakter van het absolute klachtvereiste bij art. 272 Sr
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946102:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband meer uitgebreid: Rapport Commissie Prinsjesdagstukken 2010, bijlage bij: Kamerstukken II 2009-2010, 32 173, nr. 2. Dit laat onverlet dat op grond van art. 119 Gw voor (lekkende) Kamerleden een apart vervolgingsregime geldt.
Stb. 1967, 377.
Stb. 2002, 552.
Singer-Dekker 1980, p. 423-424.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 272 Sr is het schenden van geheimen strafbaar gesteld in het geval dat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van beroep, ambt of wettelijk voorschrift is verplicht dit geheim te bewaren. Het betreft een publiek belang dat geheimen die worden beschermd uit hoofde van functie of voorschrift niet worden geopenbaard. Dat publieke belang bestaat ook bij schending van persoonlijke geheimen. De maatschappij is er immers bij gebaat dat eenieder erop kan vertrouwen dat bepaalde geheimen bewaard blijven en dat hulpbehoevenden zich zonder schroom kunnen wenden tot bijvoorbeeld een arts of een advocaat. De wetgever heeft ervoor gekozen om, indien en voor zover de schending van de geheimhoudingsplicht ziet op geheimen van een specifiek persoon, door toevoeging van een klachtvereiste voorrang te verlenen aan de belangen van die persoon. Dit leidt ertoe dat slechts vervolging plaatsheeft als de persoon wiens geheim is geopenbaard door middel van een klacht te kennen geeft die vervolging te wensen. De betreffende persoon kan een vervolging onwenselijk vinden, omdat dit kan leiden tot meer ruchtbaarheid voor (de openbaring van) het geheim dat bewaard had moeten blijven. Die weging van publieke en persoonlijke belangen is niet aan de orde indien publieke geheimen zijn geopenbaard. Dit betreft bijvoorbeeld het lekken van de stukken die op Prinsjesdag openbaar worden gemaakt.1 In dergelijke gevallen staat de bescherming van het publieke belang centraal en speelt het klachtvereiste geen rol.
Het voorgaande leidt ertoe dat deze strafbepaling in het tweede lid van art. 272 Sr met de navolgende terminologie als klachtdelict is aangewezen: ‘Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht’. De strafbepaling wordt tot de absolute klachtdelicten gerekend, omdat de familiaire relatie tussen dader en slachtoffer in dit verband geen rol speelt. In bovenvermelde terminologie ligt echter evenzeer een relativering van het absolute karakter van dit klachtdelict besloten. De woordkeuze maakt duidelijk dat dit een delict betreft dat niet steeds tegen een bepaalde persoon wordt gepleegd. Daarin onderscheidt het delict zich van andere absolute klachtdelicten zoals smaad. Die strafbaarstelling ziet immers op de aantasting van iemands eer of goede naam, waardoor in het strafbare feit ligt besloten dat het steeds tegen een specifieke persoon wordt gepleegd. De formulering van art. 272 Sr brengt met zich dat het misdrijf slechts een klachtdelict betreft voor zover het tegen een ander is gepleegd. Het is als het ware een relatief absoluut klachtdelict. Om verwarring te voorkomen en het onderscheid tussen relatieve en absolute klachtdelicten te bewaren, verdient het mijns inziens de voorkeur de strafbepaling aan te duiden als een voorwaardelijk absoluut klachtdelict. Deze aanduiding is van toegevoegde waarde, omdat daardoor niet (ten onrechte) de indruk ontstaat dat in alle gevallen aan een klachtvereiste dient te zijn voldaan om tot vervolging te kunnen overgaan.
Het klachtvereiste in art. 272 lid 2 Sr is ook vanwege een tweede reden niet absoluut. In diverse bijzondere wetten is de schending van bepaalde geheimen uitgezonderd van dit klachtvereiste. Dit gebeurt bijvoorbeeld in art. 52 lid 2 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en in art. 7 lid 3 Wet politiegegevens. In hoofdstuk 2 is beschreven dat het schenden van ambts- en beroepsgeheimen al sinds 1886 in art. 272 Sr strafbaar is gesteld en dat daaraan in 1967 het schenden van geheimen vanwege een wettelijk voorschrift is toegevoegd.2 Strafbaarstellingen van geheimhoudingsplichten waren tot dan toe wijdverspreid in bijzondere wetten en deze wetswijziging maakte één strafbaarstelling van al die bijzondere geheimhoudingsplichten mogelijk. Het leidde er logischerwijs ook toe dat al die geheimhoudingsplichten (die voorheen niet steeds van een klachtvereiste waren voorzien) aan het klachtvereiste van art. 272 lid 2 Sr onderhevig werden. Dit is niet in alle gevallen wenselijk geacht, onder meer niet bij de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, die nadien is opgegaan in de hiervoor vermelde Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.3 Het vereiste van een klacht zou volgens minister van Justitie De Ruiter een in het algemeen belang wenselijk geacht opsporings- en vervolgingsbeleid doorkruisen, waar het de onrechtmatige verstrekking van gegevens uit justitiële documentatie betreft.4 Singer-Dekker bepleit in diezelfde periode om art. 272 Sr te wijzigen en het artikel van uitzonderingen op het klachtvereiste te voorzien. Als alternatief wijst Singer-Dekker op de mogelijkheid om in bijzondere wetten uitzonderingen op het klachtvereiste te op te nemen.5 Uiteindelijk verkiest de wetgever deze laatste optie en is art. 272 Sr niet gewijzigd. De wetgever heeft daartoe besloten omdat deze oplossing het voordeel zou bieden dat de aan art. 272 lid 2 Sr ten grondslag liggende belangenafweging als uitgangspunt gehandhaafd blijft. Zo wordt erkend dat het bijzonder belang groter nadeel kan lijden door het instellen van vervolging ter zake van art. 272 Sr, dan het openbaar belang zou lijden door het uitblijven van die vervolging.6
Art. 272 Sr dient dus ter bescherming van publieke en private belangen, waarbij de wetgever verkiest in beginsel voorrang te verlenen aan de private belangen. De strafbepaling is geen klachtdelict voor zover het geen persoonlijk geheim betreft dat in strijd met een daartoe strekkende verplichting is geopenbaard. Daarnaast heeft de wetgever bij de schending van een aantal – in wettelijke voorschriften vervatte – geheimhoudingsplichten bepaald dat in die gevallen het persoonlijke belang geen voorrang verdient boven het algemene belang dat bestaat bij opsporing en vervolging van die feiten. Die uitzonderingen zijn steeds opgenomen in de bijzondere wet waaruit ook de geheimhoudingsverplichting voortvloeit. In relatie tot art. 272 Sr geeft de wetgever dus concreet invulling aan het grondbeginsel dat aan het klachtvereiste ten grondslag ligt, waarbij aandacht uitgaat naar (de weging van) de publieke en persoonlijke belangen die bij de vervolging van het feit kunnen zijn betrokken.