Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.4.2.1
10.4.2.1 Grensoverschrijdende verliesaftrek
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387539:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.2.2 en met name HvJ EG 16 oktober 2008, zaak C-527/06 (Renneberg).
Zoals in de conceptrichtlijn 1979 het geval was ten aanzien van het progressievoorbehoud voor buitenlandse (positieve en negatieve) inkomsten.
Zie hierover tevens paragraaf 6.3 en de (op inwoners betrekking hebbende) arresten HvJ EU 7 november 2013, zaak C-322/11 (K), HvJ EG 23 oktober 2008, zaak C-157/07 (Krankenheim)enHvJ EU 17 december 2015, zaak C-388/14 (Timac Agro) alsmede paragraaf 10.3.3.2.
Gelet op de uitleg van de verdragsvrijheden dienen lidstaten onder omstandigheden grensoverschrijdende verliesverrekening op gelijke voet te verlenen aan niet-inwoners.1 In ieder geval voor Schumacker-situaties dient hierin te worden voorzien door de lidstaten, waardoor de richtlijn op dit onderdeel dan ook niet zou kunnen volstaan met een ‘kan-bepaling’.2 Aangezien de algemene uitgangspunten van de inaanmerkingneming van de persoonlijke en gezinssituatie (volledige fiscale draagkracht) wijzigen onder de richtlijn (gelijke behandeling van niet-inwoners wordt de regel in plaats van de uitzondering), acht ik het passend dat het voorstel voor secundair Unierecht op dit specifieke punt hierbij ook zou aansluiten. Oftewel, ongeacht het deel dat een werknemer van zijn inkomen verwerft in de andere lidstaat, zou de nationale behandeling zich naar mijn mening ook moeten uitstrekken tot de mogelijkheden tot grensoverschrijdende verliesverrekening. Dit betekent overigens niet dat lidstaten buitenlandse verliezen van niet-inwoners onvoorwaardelijk in aftrek moeten toestaan. Aangezien het hier een gebod tot nationale behandeling betreft, zouden hiervoor dezelfde regels gelden als voor inwoners. Dit betekent mijns inziens dat lidstaten, onder dezelfde voorwaarden als voor inwoners, een objectvrijstelling, inhaalregeling en/of terugneemregeling mogen hanteren.3 De vormgeving van dergelijke regels dient echter aan de lidstaten te worden overgelaten. Dit mede gezien de verscheidenheid van de methoden die in de verschillende staten bestaan.