Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.6.5
7.6.5 Relativiteit
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS446283:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 7 mei 2004, r.o. 3.4.1.-3.4.5, ECLI:NL:HR:2004:AO6012 (Duwbak Linda) en HR 13 oktober 2006, r.o. 4.2.2, ECLI:NL:HR:2006:AW2077 (DNB/Stichting Vie d’Or).
Vergelijk ook art. 1.3 van het wetsvoorstel Omgevingswet en de Memorie van Toelichting daarbij (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 62-64). De considerans van het wetsvoorstel Omgevingswet spreekt bovendien van ‘regels (…) over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving’.
In de benadering van het Hof Den Haag volgt de beschermingsomvang van de handhavingsbevoegdheid, met andere woorden, de beschermingsomvang van de (overtreden) voorschriften die met die bevoegdheid gehandhaafd kunnen worden. Die benadering is mijns inziens juist en werd ook toegepast in ABRvS 28 juli 2010, r.o. 2.6.6, ECLI:NL:RVS:2010:BN2670.
Zie Hof Den Haag 22 maart 2011, r.o. 7.1-7.5, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8578 (Rotterdam en DCMR/Reaal Schadeverzekeringen e.a.). Zie voor een uitgebreide bespreking van dit arrest paragraaf 7.6.2.
Zie over de correctie-Langemeijer Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 138.
Zie Hof Den Haag 22 maart 2011, r.o. 7.3-7.4, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8578 (Rotterdam en DCMR/Reaal Schadeverzekeringen e.a.).
Zie ABRvS 28 juli 2010, r.o. 2.6.6, ECLI:NL:RVS:2010:BN2670. Deze door de ABRvS aanvaarde, ruime beschermingsomvang van milieuvoorschriften, waardoor deze voorschriften personen in de omgeving ook kunnen beschermen tegen (zuivere) vermogenschade, is overigens in lijn met de ruime beschermingsomvang die de verplichting tot het uitvoeren van een milieueffectbeoordeling volgens het HvJEU heeft. Voorkoming van vermogensschade valt namelijk onder de beschermingsdoelstelling van die verplichting, voor zover deze schade het rechtstreekse economische gevolg is van de milieueffecten van een openbaar of particulier project in de zin van richtlijn 85/337/ EEG (thans richtlijn 2011/92/EU) (zie HvJEU 14 maart 2013, Leth, C-420/11, ECLI:EU: C:2013:166, r.o. 35-36 en 44). In die zaak ging het om een waardevermindering van een onroerende zaak (met woning) als gevolg van geluidsoverlast rond een luchthaven.
Vergelijk ook Schueler 2005b, p. 120.
Zie over EVRM-conforme interpretatie en de grenzen daarvan paragraaf 2.8. Zie ten aanzien van de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen in dezelfde zin paragraaf 3.2.3.
Zie in gelijke zin ten aanzien van de positieve verplichting om algemeen en/of concreet toezicht te houden paragraaf 6.3.6.
Voor aansprakelijkheid voor schade wegens het nalaten van (voldoende) handhavend optreden moet naar nationaal recht aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW worden voldaan. Dit vereiste houdt in dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, indien de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.1 In paragraaf 6.3.6 is reeds ingegaan op het relativiteitsvereiste in het kader van de positieve verplichting om algemeen en/of concreet toezicht te houden. Daar is gebleken dat het relativiteitsvereiste naar Nederlands recht in de weg kan staan aan aansprakelijkheid van de overheid wegens het nalaten van voldoende toezicht. Ook bij het nalaten van (voldoende) handhavend optreden is het denkbaar dat het relativiteitsvereiste naar Nederlands recht in de weg staat aan aansprakelijkheid voor de daardoor veroorzaakte schade. Toch lijken schadevorderingen in omgevingsgerelateerde situaties niet snel stuk te zullen lopen op het relativiteitsvereiste. Omgevingsgerelateerde regelgeving strekt tot bescherming van de omgeving.2 Indien personen in die omgeving schade lijden door een overtreding van omgevingsgerelateerde regelgeving en het niet (voldoende) handhavend optreden daartegen, zal dan ook al snel aan het relativiteitsvereiste zijn voldaan. Dit blijkt ook uit de rechtspraak.
In het arrest-Rotterdam en DCMR/Reaal Schadeverzekeringen e.a. nam het Hof Den Haag bijvoorbeeld terecht aan dat de Wet milieubeheer (en de daarop gebaseerde vergunningen) strekte tot voorkoming van gevaar, schade en hinder die inrichtingen voor de personen en zaken in hun omgeving met zich konden brengen. Daarom beschermde de Wet milieubeheer ook tegen schade aan zaken in de omgeving van de inrichting die was ontstaan als gevolg van een in de inrichting onstane brand. Uit het arrest volgt dat volgens het Hof Den Haag daarmee ook de bevoegdheid tot het handhaven van de voorschriften van de milieuvergunning en de Wet milieubeheer strekte tot bescherming tegen die schade.3 Volgens het Hof Den Haag strekte de Wet milieubeheer (en daarmee de aan de milieuvergunning van CMI verbonden vergunningvoorschriften) evenwel niet tot bescherming van de inrichting zelf en de zich daarbinnen bevindende goederen, ook niet als die goederen toebehoorden aan derden.4 Daardoor strekte de bescherming van de Wet milieubeheer en de bevoegdheid die wet te handhaven zich niet uit tot de beschadigde of tenietgegane goederen in de loods van CMI (waar de brand was ontstaan), maar wel tot de goederen die opgeslagen lagen in een loods van het naburige bedrijf. Dit oordeel kon de gemeente Rotterdam en DCMR echter niet baten, omdat het Hof Den Haag (interessant genoeg) de correctie- Langemeijer toepaste ten aanzien van de goederen in de loods van CMI.5 Volgens het Hof Den Haag hadden de gemeente en DCMR door niet (voldoende) handhavend op te treden tevens een zorgvuldigheidsnorm geschonden die bescherming bood tegen schade aan de goederen van derden die lagen opgeslagen in de loods van CMI.6
In de in de vorige paragraaf besproken uitspraak over een verzoek om schadevergoeding wegens huurderving nam de ABRvS (terecht) ook aan dat aan het relativiteitsvereiste was voldaan. In deze zaak had de overheid nagelaten (tijdig) handhavend op te treden tegen overtredingen van geluidsvoorschriften uit het (voormalige) Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, een AMvB op grond van de Wet milieuheer, door een nabij de verhuurde woning gelegen bedrijf. Volgens de ABRvS zag de Wet milieubeheer niet op de bescherming van louter economische belangen, maar op de bescherming van het milieu. In deze zaak, waar het ging om krachtens de Wet milieubeheer gestelde geluidsvoorschriften, betrof de bescherming van het milieu in het bijzonder de bescherming van de leefomgeving. Die geluidsvoorschriften strekten naar het oordeel van de ABRvS niet alleen tot bescherming tegen aantasting van het woongenot van omwonenden, maar ook van de daaruit voortvloeiende belangen, zoals die van een verhuurder. De huurprijs werd immers bepaald door het woon- en leefgenot van de bewoner en de leefomgeving was daarbij een mede bepalende factor. Schending van de geluidsnormen was derhalve ook jegens de appellant als verhuurder onrechtmatig. In onderlinge samenhang gold dit volgens de ABRvS ook voor de normen die zagen op handhaving van de geluidsvoorschriften en op het tijdig nemen van een besluit op een verzoek daartoe. Deze normen strekten naar haar oordeel dan ook mede tot bescherming tegen de vermogensschade bestaande uit gederfde huurinkomsten als gevolg van de veroorzaakte geluidhinder.7
Gezien het voorgaande zal een vordering tot schadevergoeding van een burger die benadeeld is door een schending van de (nationaalrechtelijke) verplichting om voldoende handhavend op te treden tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving niet snel stranden op het relativiteitsvereiste. In ieder geval bestaat mijns inziens bij een beroep op schending van de positieve verplichting tot handhaving ter bescherming van de door artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen geen ruimte om aansprakelijkheid van de overheid af te wijzen op grond van het relativiteitsvereiste. Die positieve verplichting strekt immers tot bescherming van die belangen, zodat bij zo’n beroep steeds aan het relativiteitsvereiste is voldaan.8 Bovendien kan de positieve verplichting tot handhaving met zich brengen dat nationale bevoegdheden tot handhaving en nationale regelgeving die (mede) de door artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermde belangen kunnen beschermen, op basis van een evrm-conforme interpretatie (voor zover mogelijk) zodanig uitgelegd moeten worden dat die nationale bevoegdheden en regelgeving inderdaad (mede) die belangen beschermen.9 Het beschermingsbereik van die bevoegdheden en regelgeving kan en mag derhalve niet alleen vastgesteld worden op basis van een analyse van de wetsgeschiedenis.10