Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.3.1.2
10.3.1.2 Verhouding tot het Unierecht
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS382723:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 26 oktober 1995, zaak C-151/94 (Commissie/Luxemburg), r.o. 20-22. Zie ook HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03 (Van Hilten-van der Heijden).
HvJ EG 26 oktober 1995, zaak C-151/94 (Commissie/Luxemburg), r.o. 21. Het feit dat een gelijke behandeling slechts mogelijk was na administratief beroep was echter niet aanvaardbaar. Deze procedurele benadeling resulteerde dan ook in strijdigheid met het vrije verkeer van werknemers.
HvJ EG 27 juni 1996, zaak C-107/94 (Asscher) en HvJ EG 12 juni 2003, zaak C-234/01 (Gerritse).
HR 31 januari 2014, 12/05227, ECLI:NL:HR:2014:168, BNB 2014/78, r.o. 6.2 (inzake het voormalige art. 2.5 Wet IB 2001).
Zie HvJ EU 10 mei 2012, zaak C-39/10 (Commissie/Estland), r.o. 45 waarin de Commissie opmerkt dat Estland als bronstaat ‘het recht heeft om het wereldinkomen van de belastingplichtige in aanmerking te nemen bij de berekening van de belasting waaraan die belastingplichtige in voorkomend geval in Estland is onderworpen. (…) Dat leidt niet tot een belasting over de inkomsten verworven in andere lidstaten dan de Republiek Estland, maar komt enkel neer op het bepalen van de draagkracht van de belastingplichtige in het kader van de belastingheffing op uitsluitend de inkomsten die hij in Estland heeft verworven’.
Uit onder meer de arresten Commissie/Luxemburg en Van Hilten-van der Heijden volgt dat het Unierechtelijk toelaatbaar is om niet-inwoners progressief te belasten met inachtneming van hun wereldinkomen.1 In de zaak Commissie/Luxemburg erkende het Hof hierbij de mogelijkheid voor de Luxemburgse belastingautoriteiten om te verlangen dat werknemers, die slechts een gedeelte van het jaar in Luxemburg woonachtig en/of werkzaam zijn, inzicht geven in hun wereldinkomen. Dit om te bepalen of zij in aanmerking komen voor de door hen verzochte (gedeeltelijke) teruggaaf van de ingehouden loonbelasting. Het vereisen van deze aanvullende informatie kan worden gerechtvaardigd ‘teneinde de bevoegde nationale belastingdienst in staat te stellen (…) het op de binnenlandse inkomsten toepasselijke tarief te bepalen’.2 Ik merk op dat de arresten Asscher en Gerritse niet afdoen aan deze rechtspraak. In die arresten ging het namelijk niet om de vraag of de bronstaat een progressievoorbehoud voor niet-inwoners mag opnemen in de wetgeving (hetgeen is toegestaan, zie Commissie/Luxemburg) maar om de vraag of afwijkende (nadelige) belastingtarieven mogen worden gehanteerd voor niet-inwoners (hetgeen is verboden).3 De Hoge Raad heeft in lijn met het bovenstaande reeds expliciet geoordeeld dat het verenigbaar is met het vrije verkeer van werknemers om niet-inwoners onder een facultatief regime te belasten met toepassing van een progressievoorbehoud op hun buitenlandse inkomsten.4 Deze visie wordt ook door de Europese Commissie onderschreven.5 Ook vanuit het Unierecht bestaan derhalve geen belemmeringen om de belastingheffing van niet-inwoners in deze zin te wijzigen. Aldus kan bij de bepaling van het toepasselijke tarief hun volledige draagkracht in aanmerking worden genomen.