Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.1:10.1 Inleiding
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.1
10.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233702:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Boogaard 2016.
Idem, p. 33: ‘Het argument dat de rechtbank haar rol en positie in de trias politica verkeerd opvat, is evenmin eenvoudig te maken. De trias politica is in veel discussies namelijk een gemeenplaats die zowel geruststellend als alarmerend kan worden gebruikt. Deze leegheid van de trias politica is vooral een probleem in de situaties waarin er juridische antwoorden mogelijk zijn op politieke vragen. De vordering van Urgenda is zo’n zaak.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige hoofdstukken is nader ingegaan op de hoofdlijnen van de Amerikaanse political question-doctrine en is bezien in hoeverre eenzelfde doctrine ook uit de rechtspraak van de Nederlandse rechter kan worden afgeleid. Een analyse van de relevante rechtspraak leert dat dit het geval is: net als de Amerikaanse rechter, kiest de Nederlandse rechter soms voor een benadering die een met een political question-doctrine vergelijkbare werking heeft. Concreet gaat het dan om geschillen over het buitenlands beleid en defensie, en om geschillen waarin een inhoudelijke beoordeling van de rechter het lopende politieke besluitvormingsproces zou doorkruisen. De rechter meent dat hij in dergelijke geschillen een inhoudelijke beoordeling niet ‘kan’ of ‘mag’ geven, omdat het ontbreekt aan concrete en bruikbare rechtsnormen om een zaak te beslissen respectievelijk omdat de ‘op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden’ daaraan in de weg staat.
Met deze vaststelling dat ook een Nederlandse political question-doctrine kan worden onderscheiden, is echter nog niet de vraag beantwoord hoe een dergelijke doctrine moet worden gewaardeerd. In dit hoofdstuk ga ik daarop in. De eerder in dit onderzoek genoemde trias politica vormt hierbij het vertrekpunt. Daarbij past wel een kanttekening vooraf. Zoals Boogaard naar aanleiding van Urgenda heeft opgemerkt, is de inhoud van de trias politica als concept niet vastomlijnd of onomstreden.1 De reacties op het Urgenda-vonnis van de Haagse rechtbank illustreren dit: waar sommige auteurs de trias politica in stelling hebben gebracht en hebben betoogd dat dit vonnis daarmee op gespannen voet stond, menen andere auteurs dat dit vonnis de trias politica juist ten goede kwam.2
Tegelijkertijd betekent dit niet dat de trias political als zodanig geen bruikbaar concept is. Algemeen wordt aangenomen dat dit concept verschillende aspecten kent die nauw met elkaar samenhangen. De discussie spitst zich vooral toe op de invulling van deze aspecten. In dit hoofdstuk richt ik mij op de belangrijkste: de machtenscheiding, het machtsevenwicht en de onafhankelijke rol van de rechter. Bij dit laatste aspect zal de nadruk liggen op de effectieve rechtsbescherming in relatie tot de toegang tot de rechter.