Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures (R&P nr. VG7) 2013/6.2.4.5
6.2.4.5 De beslissing tot intrekking van een aanbesteding
mr. A.J. van Heeswijck, datum 28-11-2013
- Datum
28-11-2013
- Auteur
mr. A.J. van Heeswijck
- JCDI
JCDI:ADS583598:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Aanbestedingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In art. 41 lid 1 Bao was art. 41 Aanbestedingsrichtlijn klassieke sectoren wel volledig geïmplementeerd.
Vgl. HvJ EG 22 juni 1989, C-103/88 (Fratelli Costanzo), r.o. 32, over art. 29 lid 5 van de oude richtlijn inzake werken; Richtlijn 71/305/EEG (PbEG 1971, L 185/5).
Zie over het begrip ‘particulier’ hoofdstuk 2, § 3.2.5.4.
Zie hoofdstuk 2, § 3.5.5.
Hoofdstuk 2, § 2.7.
Vzr. Rb. Haarlem 23 november 2007, LJN BB9853, r.o. 4.5. Dit is een vervolg op Vzr. Rb. Haarlem 19 juli 2007, NJF 2009, 223. Deze uitspraken lijken betrekking te hebben op een concessie voor diensten, die niet onder de werkingssfeer van de Aanbestedingsrichtlijn klassieke sectoren valt. In de uitspraken lijkt hieraan geen betekenis te zijn toegekend. Ook in Vzr. Rb. Overijssel 26 juli 2013, ECLI NL:RBOVE:2013:1598, r.o. 4.4, werden geen hoge eisen gesteld aan de motivering van de beslissing tot intrekking van de aanbesteding. Zie over de motiveringsplicht voorts HvJ EG 18 juni 2002, C-92/00 (Hospital Ingenieure), r.o. 41; Vzr. Rb. Den Haag 22 maart 2012, LJN BW0098, r.o. 4.4; Vzr. Rb. Leeuwarden 5 juli 2012, LJN BX2163.
Vzr. Rb. Midden-Nederland 15 februari 2013, LJN BZ1349, r.o. 4.17.4, lijkt wel uit te gaan van een verbod op aanvulling van de motivering.
Het begrip ‘gunningsbeslissing’ is ruim en omvat blijkens de definitie van dit begrip in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012 tevens de keuze om geen overeenkomst te sluiten. Artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012, dat eisen stelt aan de mededeling van de gunningsbeslissing, is echter toegespitst op de motivering van een beslissing om de opdracht aan een bepaalde inschrijver te gunnen. Met deze bepaling is dan ook beoogd artikel 2 bis lid 2, vierde alinea, eerste gedachtestreepje van de Rechtsbeschermingsrichtlijn klassieke sectoren te implementeren.1 Hierin is bepaald dat de kennisgeving van het besluit tot gunning vergezeld gaat van een samenvattende beschrijving van de relevante redenen als bedoeld in artikel 41 lid 2 van de Aanbestedingsrichtlijn klassieke sectoren. Artikel 41 lid 2 van de Aanbestedingsrichtlijn klassieke sectoren heeft kort gezegd betrekking op de motivering van de afwijzing van gegadigden en inschrijvers en de keuze om de opdracht aan een bepaalde inschrijver te gunnen, maar niet tevens op de intrekking van een aanbesteding. Artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012 is dus niet van toepassing op de beslissing van de aanbestedende dienst om een opdracht niet te gunnen en de aanbesteding in te trekken.
De verplichting van de aanbestedende dienst om inschrijvers gemotiveerd in kennis te stellen van de beslissing om een opdracht niet te gunnen, is in artikel 41 lid 1 van de Aanbestedingsrichtlijn klassieke sectoren neergelegd. De Nederlandse wetgever heeft dit artikel niet volledig geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012. De verplichting van de aanbestedende dienst tot motivering van de beslissing om een opdracht te gunnen, is in artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012 geregeld en de motivering van de beslissing tot uitsluiting en afwijzing van gegadigden en inschrijvers in artikel 2.103 van de Aanbestedingswet 2012. De verplichting om inschrijvers gemotiveerd in kennis te stellen van de beslissing om een opdracht niet te gunnen lijkt bij de totstandkoming van de Aanbestedingswet 2012 tussen het wal en het schip te zijn geraakt.2
Het is aan de Nederlandse wetgever om artikel 41 lid 1 van de Aanbestedingsrichtlijn klassieke sectoren (opnieuw) te implementeren. In tegenstelling tot de Rechtsbeschermingsrichtlijnen lijkt artikel 41 lid 1 van de Aanbestedingsrichtlijn klassieke sectoren onvoorwaardelijk en voldoende bepaald.3 Tot het moment waarop het implementatiegebrek in de Aanbestedingswet 2012 is hersteld, kunnen inschrijvers dus een rechtstreeks beroep doen op deze bepaling. Wanneer de aanbestedende dienst een ‘particulier’ is,4 is rechtstreekse werking echter uitgesloten.5 In dat geval is een verplichting van de aanbestedende dienst om inschrijvers zo spoedig mogelijk gemotiveerd in kennis te stellen van de beslissing om de aanbesteding in te trekken mogelijk uit het transparantiebeginsel af te leiden. Als de rechter anders oordeelt, rest de benadeelde inschrijver een vordering op de Nederlandse staat op grond van lidstaataansprakelijkheid.6
Over de inhoudelijke eisen aan de motivering van de beslissing om een aanbesteding in te trekken valt in abstracto weinig te zeggen. De aanbestedende dienst zal tot op zekere hoogte inzicht moeten geven in de overwegingen die ten grondslag liggen aan de beslissing om de opdracht niet te gunnen. Volgens de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Haarlem zouden aan de motivering niet al te hoge eisen mogen worden gesteld.7 Nu artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012 toepassing mist, is de jurisprudentie van de Hoge Raad over aanvulling van de motivering van de gunningsbeslissing niet, althans niet rechtstreeks, van toepassing.8