Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/5.4.3.1:5.4.3.1 Rechtshistorisch perspectief
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/5.4.3.1
5.4.3.1 Rechtshistorisch perspectief
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302816:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Lennep 1895, p. 56-57.
Van Lennep 1895, p. 59-60.
Van Lennep 1895, p. 61-69. Zodoende is het weinig verrassend dat het OBW alleen een aansprakelijkheid voor ondergeschikten kende, en niet ook een voor zelfstandige hulppersonen. Treffend is ook dat het huidige art. 6:171 vanuit Europees perspectief een ‘buitenbeentje’ is, zie par. 5.3.3 en par. 5.4.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat art. 6:181 meer verwant is aan art. 6:170 dan aan art. 6:171, wordt mijns inziens onderstreept door een rechtshistorisch perspectief. Ter rechtvaardiging van de aansprakelijkheid voor ondergeschikten uit art. 1403 lid 3 OBW, de voorloper van art. 6:170, werd wel aangenomen dat ondergeschikten slechts ‘werktuigen’ zijn, instrumenten waarvan diens opdrachtgever zich bedient. Van Lennep legde in zijn proefschrift uit 1895 over art. 1403 lid 3 OBW zodoende zelfs een direct verband tussen de aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor ondergeschikten en die voor ‘machines’ waarvan hij zich in de uitoefening van zijn bedrijf bedient:
‘immers de arbeider is ten slotte in de oogen van zijn patroon slechts een machine. Evenals een ondernemer die groote ziellooze krachten in den vorm van machines in beweging zet, de ongelukken die daardoor ontstaan, moet vergoeden (...) zoo ook moet hij, die anderen te zijnen behoeve aan ’t werk zet, de schade dragen die iemand wordt toegebracht.’1
Omdat het zijn ‘werktuig’ is, behoort de opdrachtgever aansprakelijk te zijn voor door zijn ondergeschikte veroorzaakte schade. Deze wel verdedigde ratio van (de voorloper van) art. 6:170 is in feite de rechtsregel van het huidige art. 6:181: worden de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde ‘werktuigen’ in de uitoefening van een bedrijf gebruikt, dan rust de aansprakelijkheid voor de daardoor veroorzaakte schade op degene die dit bedrijf uitoefent. Gedacht vanuit de ‘instrumentaliteitstheorie’2 passen art. 6:181 en 170 dus goed bij elkaar. Deze theorie gaat niet, althans moeizamer op in geval van de inschakeling van een zelfstandige hulppersoon, aangezien de ‘instrumentaliteit’ bij diens opdrachtgever dan ontbreekt. Alleen schade door gedragingen van hulppersonen die als het werktuig van hun opdrachtgever beschouwd kunnen worden, wordt langs hen teruggevoerd tot deze opdrachtgever. Waar de hulppersonen en -zaken uit art. 6:170 en 181 als ‘werktuig’ van de opdrachtgever/gebruiker zijn te beschouwen, geldt dit vanwege diens zelfstandigheid in beginsel niet voor een in art. 6:171 bedoelde hulppersoon. Voor diens – in zelfstandigheid verrichte – schadeveroorzakende gedragingen is de opdrachtgever in beginsel dan ook niet ‘verantwoordelijk’.3 In dit perspectief is overigens te herkennen dat in geval van het ‘gebruik’ van ondergeschikten (art. 6:170) en zaken (art. 6:181), bij het door deze ‘werktuigen’ in de risicosfeer vallen van de opdrachtgever/gebruiker, een ‘tegenkracht’ vergelijkbaar met de zelfstandigheid van de niet-ondergeschikte hulppersoon (art. 6:171) ontbreekt.