Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.4.1.2.2.4
3.4.1.2.2.4 Deelneming aan een markt
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291412:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 5 juli 1988, zaak C-269/86, BNB 1988/303, m.nt. Ploeger (Happy Family). Zie ook: HvJ EG 1 april 1982, nr. 89/91, BNB 1982/311, m.nt. Tuk, r.o. 5 en 6 (Hong Kong Trade Development Council). Van Vliet lijkt dit over het hoofd te zien (D.G. van Vliet, ‘Geen marktdenken in de btw a.u.b.!’, in: J. Bouwman, N. Groefsema & W. Grooten (red.), Ode aan Bart. Van Zadelhoff-bundel, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 182).
HvJ EG 26 juni 2007, zaak C-284/04, zaak C-284/04, V-N 2007/32.21 (T Mobile Austria e.a.).
M. van der Wulp, ‘Borsele als schoolvoorbeeld’, BtwBrief 2018/51, p. 6. Uit HR 18 april 2014, nr. 12/02210, BNB 2014/157, m.nt. Swinkels (Gemeente Hardinxveld-Giessendam I) en HR 19 oktober 2018, nrs. 17/02608 en 17/02609, BNB 2019/78, m.nt. Swinkels, r.o. 2.5.4 (Gemeente Zwijndrecht) kan worden afgeleid dat de Hoge Raad een dergelijke, te strikte ‘deelneming-aan-de-markt-toets’ aanlegt (Redactie V-N, aantekeningen bij conclusie A-G Ettema 29 december 2015, nr. 15/00664, V-N 2016/11.18 en HR 23 juni 2017, nr. 13/02651, V-N 2017/32.14, M. van der Wulp, ‘Borsele als schoolvoorbeeld’, BtwBrief 2018/51, p. 6 en Swinkels, noot bij HR 19 oktober 2018, nrs. 17/02608 en 17/02609, BNB 2019/78 (Gemeente Zwijndrecht)).
HvJ EG 6 oktober 2009, zaak C-267/08, V-N 2009/52.24, r.o. 24 (SPÖ Landesorganisation Kärnten) en HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels, r.o. 35 (Gemeente Borsele). Van een deelname aan de markt is geen sprake bij het verrichten van illegale activiteiten die op grond van hun aard in alle lidstaten verboden zijn (zie o.a. HvJ EG 5 juli 1988, zaak C-269/86, BNB 1988/303, m.nt. Ploeger (Happy Family). Omdat vastgoedtransacties naar hun aard niet in alle lidstaten verboden zijn, laat ik dit verder rusten.
HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels, (Gemeente Borsele).
Conclusie A-G Kokott 23 december 2015, zaak C-520/14, punt 65 (Gemeente Borsele).
M. Soltysik, ‘Het vaststellen van BTW-belastbare prestaties bij niet kostendekkende vergoedingen: Het wordt steeds moeilijker’, WFR 2016/147, p. 952.
F. Tromp, ‘Een bezwarende titel maakt nog geen economische activiteit’, WFR 2016/163, p. 1057 en J. Sanders, ‘The hours of folly are measur’d by the clock; but of wisdom, no clock can measure’, BtwBrief 2016/75, p. 5.
M. van der Wulp, ‘Borsele als schoolvoorbeeld’, BtwBrief 2018/51, p. 6.
In gelijke zin: conclusies A-G Ettema van 29 december 2015, nr. 15/00664, V-N 2016/11.18, punt 5.9 (Gemeente Hardinxveld-Giessendam) en 8 maart 2017, nr. 13/02651, V-N 2017/22.16, punt 6.13 (Gemeente Woerden) en D.B. Bijl, ‘Scholen en omzetbelasting: wat is de prijs van een schoolgebouw’ in: J. Bouwman, N. Groefsema & W. Grooten (red.), Ode aan Bart. Van Zadelhoff-bundel, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 28.
Het begrip ‘belastingplichtige’, en dus ook het begrip ‘economische activiteit’, moet volgens het Hof van Justitie tegen de achtergrond van de interne markt worden uitgelegd.1 Dit decor brengt met zich dat een economische activiteit veronderstelt dat zij naar haar aard door een marktdeelnemer kan worden verricht. Kan een activiteit, ook al wordt zij tegen vergoeding verricht, naar haar aard alleen door de overheid worden verricht, dan is geen sprake van een economische activiteit.2 Dat een activiteit naar haar aard door marktdeelnemers kan worden verricht, is echter niet voldoende.3 Van een activiteit van een producent, handelaar of dienstverrichter is slechts sprake indien met de verrichte activiteit – dus het geheel van in- en uitgaande handelingen – wordt deelgenomen aan een markt.4
In het Gemeente Borsele-arrest5 heeft het Hof van Justitie duidelijk gemaakt dat de gelijknamige gemeente met het verzorgen van leerlingenvervoer op grond van de Wet op het primair onderwijs en de Verordening leerlingenvervoer gemeente Borsele 2008 niet aan het ‘deelneming-aan-de-marktcriterium’ voldoet. De omstandigheden waarin het leerlingenvervoer door de gemeente plaatsvindt verschillen naar het oordeel van het Hof van die waarin de activiteiten van personenvervoer in de regel worden verricht. Volgens het Hof biedt de gemeente Borsele geen vervoersdiensten aan op de algemene markt van personenvervoer, maar is zij veeleer de afnemer én eindverbruiker van vervoersdiensten die zij inkoopt bij de vervoersondernemingen waarmee zij onderhandelt en welke diensten zij aan de ouders van de leerlingen ter beschikking stelt in het kader van haar activiteit van openbare dienstverlening (lees: als overheid). In haar conclusie merkt A-G Kokott op dat dit met name blijkt uit het feit dat de gemeente Borsele slechts een klein percentage van de kosten van de door haar ontvangen diensten goedmaakt door bijdragen te heffen voor de prestaties die zij zelf verricht. Volgens de A-G is dergelijk gedrag atypisch voor een marktdeelnemer.6 Of, zoals Soltysik het verwoord, bedrijven die personen vervoeren zullen dit in de regel nooit doen onder de omstandigheden zoals aan de orde in de zaak Gemeente Borsele.7
In wezen draait het bij het ‘deelneming-aan-de-marktcriterium’ dus om de vraag of degene die de activiteit verricht een schakel is in de productie- en distributieketen, een marktdeelnemer, of een eindverbruiker.8 Die vraag kan ook spelen bij vastgoedtransacties. Hierbij kan gedacht worden aan Nederlandse gemeenten die op grond van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs alsmede de lokale onderwijshuisvestingsverordening nieuwe schoolgebouwen tegen een (geringe) vergoeding leveren aan het bevoegd gezag van scholen voor primair en voortgezet onderwijs. Bij deze leveringen van nieuwe schoolgebouwen treedt de gemeente naar mijn overtuiging niet op als een marktdeelnemer – een aannemer, projectontwikkelaar of vastgoedhandelaar – maar als een afnemer en eindverbruiker van de door aannemers gebouwde schoolgebouwen die zij aan de scholen ter beschikking stelt in het kader van haar onderwijshuisvestingsactiviteit (lees: als overheid).9 Steun voor die opvatting is met name te vinden in het feit dat de gemeenten slechts een klein percentage van de stichtingskosten van deze schoolgebouwen terugkrijgt door de bijdragen die de scholen betalen voor de leveringen van de schoolgebouwen door de gemeente. Een aannemer, projectontwikkelaar of vastgoedhandelaar die nieuwe (school)gebouwen (op)levert, zal bij die activiteit (normaliter) nooit handelen onder de omstandigheden waaronder de gemeente dit doet.10