Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/4.6.1
4.6.1 Art. 4:202 PETL
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713138:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ondernemers kunnen overigens ook op basis van de algemene aansprakelijkheidsgrond van de PETL aansprakelijk worden gehouden, of op grond van de kwalitatieve aansprakelijkheid voor ‘abnormally dangerous activities’ van art. 5:101 PETL. Zie in gelijke zin: Choudhury & Petrin 2019, p. 161.
European Group on Tort Law 2005, p. 97, nr. 14.
European Group on Tort Law 2005, p. 97, nr. 15.
European Group on Tort Law 2005, p. 97, nr. 16.
European Group on Tort Law 2005, p. 98, nr. 19.
Wantzen 2007, p. 27. Wantzen omschrijft dit ook als “(Organisations-)Sorgfalspflichten des Unternehmers.” Zie ook: Rott & Ulfbeck, ERPL 2015, p. 427.
Koch 2011, p. 28, met verwijzing naar zijn toelichting in European Group on Tort Law 2005, p. 95, bij art. 4:202 nr. 5.
Martin-Casals 2017, p. 383; Widmer, JETL 2011, p. 145; Koch 2011, p. 28. Anders Wantzen 2007, p. 27, die spreekt over “Eine Risikohaftung für die Verwirklichung der im Wirkungsbereich eines Unternehmens liegenden Schädigungsrisiken [...].”
Ulfbeck & Holle (2009, p. 45) schrijven daarnaast dat de ratio kan worden gevonden in ‘the lengthened arm’. Zij doelen kennelijk op het gevaarzettingsbeginsel. Zij schrijven: “In other words, by using auxiliaries or technical equipment, the entrepreneur extends his sphere of influence and risk. The corollary of this, it could be argued, should be an extension of liability, for instance achieved by a reversal of the burden of proof.”
European Group on Tort Law 2005, p. 94-95, nr. 4-5.
Martin-Casals 2017, p. 383.
European Group on Tort Law 2005, p. 94-95, nr. 4-5.
European Group on Tort Law 2005, p. 94, nr. 4. Volgens Van Boom (Zeitschrift für Vergleichende Rechtswissenschaft 2009, p. 122) ligt de toegevoegde waarde van het artikel met name in de symbolische functie die het heeft: “They underscore the central role that professional organisations play in society in both reducing accident risks and spreading personal injury losses. As such, these provisions signal that organisations are judged according to a higher standard of care and precaution than is applied to individuals’ acts.”
Choudhury & Petrin 2019, p. 162.
In gelijke zin: Van Boom, Zeitschrift für Vergleichende Rechtswissenschaft 2009, p. 122.
European Group on Tort Law 2005, p. 97, nr. 13.
Giesen, AV&S 2007/41; Van Boom, AV&S 2008/1; Giesen, Utrecht Law Review 2010, p. 22-32; Martin-Casals 2017, p. 384.
Ulfbeck & Holle p. 45-46. Met betrekking tot Nederland: dit kan door toepassing van de uitzondering op art. 150 Rv of, minder controversieel en rechtspolitiek, door toepassing van feitelijke vermoedens. Zie: Giesen, AV&S 2007/41.
The European Group on Tort Law heeft in art. 4:202Principles of European Tort Law een nieuwe benadering van ondernemersaansprakelijkheid geïntroduceerd.1 Het eerste lid van dit artikel bepaalt: “A person pursuing a lasting enterprise for economic or professional purposes who uses auxiliaries or technical equipment is liable for any harm caused by a defect of such enterprise or of its output unless he proves that he has conformed to the required standard of conduct.”
Het artikel is gericht tot de ‘person pursuing the enterprise’. ’Enterprises’ worden gedefinieerd als: “business entities and organizations”.2 Publiekrechtelijke organisaties en non-profitorganisaties vallen er ook onder, voor zover zij een economisch of professioneel doel nastreven. Hetzelfde geldt voor individuen die gebruik maken van hulppersonen of (technische) hulpmiddelen. Een winstoogmerk is niet vereist, maar vormt wel een aanwijzing dat de organisatie geldt als enterprise.3 Daarnaast moet het gaan om een duurzame organisatie en niet om een organisatie die is opgezet voor een specifiek moment of evenement.4 Onder ‘defect’ wordt verstaan: “any deviation from standards that are reasonably to be expected from enterprises or from its products or services” (art. 4:202 lid 2 PETL).
Kenmerkend voor art. 4:202 PETL is de focus op de enterprise als geheel.5 Niet hoeft komen vast te staan dat iemand binnen de organisatie een zorgplicht heeft geschonden.6 In de woorden van Koch:7
“The focus, however, is on the enterprise as such, thereby trying to address in particular scenarios where neither ‘classic’ vicarious liability nor strict liability can be established: Despite the belief that the wrong originated in the enterprise, it may often be difficult to prove whether it was human misconduct that triggered the loss or the malfunctioning of some technical equipment, even if the employer were strictly liable for the latter as its keeper. Flaws in the organisation are at the core of this concept, but are not the only cases it seeks to encompass, as indicated.”
Art. 4:202 PETL is een foutaansprakelijkheid met omkering van de bewijslast.8 De ratio van art. 4:202 PETL is gelegen in slachtofferbescherming.9 Volgens de opstellers van de PETL is het problematisch dat de benadeelde in sommige gevallen niet kan aanwijzen of de schade het gevolg is van falen van een ondergeschikte en/of van gebrekkige technische hulpmiddelen. Om de benadeelde tegemoet te komen in zijn bewijspositie, wordt het vermoeden gevestigd dat de schade is te wijten aan de enterprise. De benadeelde hoeft alleen te bewijzen dat de schade het gevolg is van een oorzaak die ligt in de sfeer van de onderneming of in de output van de onderneming.10 De enterpreneur kan zich disculperen door aan te tonen dat hij voldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Dit betekent in beginsel dat de gelaedeerde moet bewijzen dat hij schade heeft geleden door de ‘entrepreneurial activity’.11 Niet is vereist dat de gelaedeerde stelt en bewijst waar in de organisatie het gebrek is ontstaan. Vervolgens dient de entrepreneur aan te tonen dat hij voldoende zorg in acht heeft genomen. Voor het bepalen van de vereiste mate van zorgvuldigheid, kan volgens de commentatoren worden gekeken naar: het (al dan niet) zorgvuldig handelen van de werknemers en de veiligheid van het technisch materiaal, maar ook de organisatorische maatregelen die (al dan niet) zijn genomen.12 Bij het bepalen van die zorgvuldigheid kan rekening worden gehouden met de expertise van de ondernemer en gelet op zijn professionaliteit geldt naar alle waarschijnlijkheid een strenge norm.13 De vraag die Choudhury en Petrin opwerpen, is of de bewijslast van de gelaedeerde (het bewijzen van het gebrek) in essentie niet dezelfde is als die van de ondernemer (het bewijzen van het zorgvuldigheidsniveau).14 Mijns inziens moet hier wel degelijk onderscheid in worden gemaakt. De disculpatiegrond (en het te leveren bewijs door de ondernemer) ziet met name op gevallen van overmacht of (zoals ook bekend uit het productaansprakelijkheidsrecht) een ontwikkelingsrisicoverweer.15
Art. 4:202 PETL is omstreden.16 De bepaling heeft tekortkomingen. Ten eerste leidt art. 4:202 PETL tot een verscherping van de aansprakelijkheid voor entrepreneurs ten opzichte van de ‘gewone’ schuldaansprakelijkheid (door de omkering van de bewijslast kan de schade eerder worden afgewenteld), zonder dat duidelijk is wat het doel of de rechtvaardiging is van deze verscherping. De verwijzing naar ‘slachtofferbescherming’ in het commentaar bij de PETL lijkt wat mager. Daarbij komt nog dat de reikwijdte van het artikel potentieel erg breed is. Zo is het immers (nog) onduidelijk wat precies valt onder een gebrek dat samenhangt met de enterprise. Met andere woorden, de grensgevallen zijn niet duidelijk. Daarbij komt dat verscheidene critici menen dat het artikel overbodig is gelet op de verscheidene kwalitatieve aansprakelijkheden.17 Ingeval de kwalitatieve aansprakelijkheden geen uitkomst bieden, kan toepassing van het bestaande procesrechtelijke kader mogelijk leiden tot hetzelfde resultaat.18