Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.3.3:8.3.3 Het samenhangcriterium
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.3.3
8.3.3 Het samenhangcriterium
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950273:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § 8.2.
Zie § 3.8.
Of in de woorden van de parlementaire geschiedenis ‘een bepaalde samenhang’ of in de woorden van het O.M. ‘een zodanige samenhang’.
Zie over het samenhangcriterium als redelijkheids- en billijkheidstoets § 3.7.4.
Zie over die interpretatie van het samenhangcriterium § 3.7.2.
Zie nader § 3.7.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot vereist artikel 6:52 lid 1 BW dat tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen. Op dit samenhangcriterium bestaan geen uitzonderingen, omdat dit het centrale vereiste van het algemene opschortingsrecht vormt. Met de huidige codificatie van het samenhangcriterium beoogde de wetgever het oorspronkelijke samenhangcriterium dat in het ontwerp-Meijers was opgenomen te verduidelijken. Hij heeft niet beoogd een nieuw of ander criterium te formuleren. De beoordelingsmaatstaf van het samenhangcriterium dient daarom te worden gevonden in de redactie van het algemene opschortingsrecht in het ontwerp-Meijers, dat een codificatie bevatte van de vereiste bepaalde samenhang.
Het gaat bij de beoordeling van het samenhangcriterium onverminderd om de vraag of er een zodanige samenhang tussen de verbintenissen over en weer bestaat dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen door nakoming te verlangen zonder nakoming van haar eigen verbintenis aan te bieden. Deze beoordelingsmaatstaf ligt in het verlengde van de grondslag en het doel van het algemene opschortingsrecht. Voor wat betreft de vraag of aan het samenhangcriterium is voldaan, dient te worden beoordeeld in hoeverre een nakomingsvordering van de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn, gelet op de opeisbare vordering die haar schuldenaar op haar heeft. Deze beoordeling is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het om de vraag of de wederpartij gelijktijdige nakoming van haar verbintenis jegens haar schuldenaar behoort aan te bieden. Het wel verlangen van nakoming maar het niet gelijktijdig aanbieden van nakoming van die verbintenis brengt immers mee dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt.1 Tussen die verbintenis van de wederpartij en de verbintenis van de schuldenaar waarvan de wederpartij nakoming verlangt, bestaat voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen. Deze samenhang is niet noodzakelijkerwijs wederzijds.2
Aldus is de beoordeling van het samenhangcriterium een redelijkheids- en billijkheidstoets. Of voldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer om opschorting te rechtvaardigen bestaat, wordt bepaald door de redelijkheid en billijkheid. De redelijkheid en billijkheid brengen die samenhang tot stand. Voldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer om deze opschorting te rechtvaardigen is geen beoordelingsmaatstaf of te beoordelen criterium op zichzelf, maar veeleer een conclusie die volgt op de toepassing van de beoordelingsmaatstaf van het samenhangcriterium. Deze conclusie is binair: voldoende of onvoldoende samenhang om opschorting in het concrete geval te rechtvaardigen. In de woorden van artikel 6:52 lid 1 BW bestaat immers alleen voldoende samenhang om deze opschorting te rechtvaardigen als de mate van samenhang in het samenhangcriterium.3 Weliswaar is denkbaar dat op basis van de feiten en omstandigheden van een concreet geval meer of minder discussie mogelijk is over het antwoord op de vraag of de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door nakoming te verlangen zonder gelijktijdige nakoming aan te bieden, maar dat betekent mijns inziens niet dat ook ‘meer’ of ‘minder’ samenhang kan bestaan binnen het samenhangcriterium. Als de drempel (‘voldoende’) in het concrete geval (‘deze’) wordt gehaald, is de schuldenaar opschortingsbevoegd. Die drempel lijkt evenwel niet hoog. Een licht verband tussen de verbintenissen over en weer is voldoende. Ik denk dat daarmee wordt bedoeld dat in een geval waarin de wederpartij een verbintenis jegens haar schuldenaar heeft, aanstonds mag worden aangenomen dat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door nakoming te verlangen zonder gelijktijdige nakoming aan te bieden.4
Deze beoordelingsmaatstaf, die onafhankelijk bestaat van de huidige redactie van het samenhangcriterium, verhoudt zich niet met de twee elementen die wel worden onderscheiden in het samenhangcriterium, door dit criterium op te knippen in een vereiste van ‘voldoende samenhang’ en een vereiste ‘om deze opschorting te rechtvaardigen’.5 Tegen deze twee te onderscheiden elementen bestaan ook praktische bezwaren, omdat een beoordelingsmaatstaf voor ‘voldoende samenhang’ ontbreekt, zodat niet duidelijk is op basis waarvan de vereiste samenhang kan worden vastgesteld, laat staan dat kan worden bepaald of deze samenhang voldoende is.6