Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.3.4.c.iv
9.3.4.c.iv Een weerlegbaar vermoeden
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS600003:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49. Evenzo Commissie-Winter (2002a), p. 65; Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/696. Zie anders Josephus Jitta (2006), p. 234, hij betwijfelt – zonder nadere motivering – of de dertiende EG-richtlijn deze ruimte wel biedt. In Duitsland bestaat discussie over de vraag of het prijsvermoeden weerlegbaar is, zie Stohlmeier (2007), p. 149; Ziemons/Schlotten/Hilmer (2008), 7.52; Simon (2010), p. 7; Krebs (2012), p. 970.
OK 8 april 2014 (ro. 3.12), JOR 2014/163 (D.E. Master Blenders); OK 21 februari 2012 (ro. 3.18), JOR 2012/144 (Crucell); OK 5 oktober 2010 (ro. 3.9), JOR 2011/212 (Schuitema). Evenzo Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 8, p. 25; Commissie-Winter (2002a), p. 65; Bartman onder JOR 2008/336 (Grolsch) en Kuijpers (2009), p. 417; Thissen (2012), p. 92.
OK 11 maart 2014, JOR 2014/161 (Mediq); OK 5 oktober 2010 (ro. 3.9), JOR 2011/212 (Schuitema). In de eerstgenoemde zaak past de OK het wettelijk prijsvermoeden niet toe, ‘gelet op het tijdsverloop van meer dan een jaar sinds het einde van de na-aanmeldingstermijn van het openbaar bod…’. Deze overweging is opmerkelijk, omdat in andere zaken waarin het wettelijk prijsvermoeden toepassing vindt het tijdsverloop sinds het openbaar bod aanzienlijk hoger ligt: bijvoorbeeld OK 6 juli 2010, JOR 2010/267 (CompleTel), 947 dagen; OK 8 juni 2010, JOR 2010/ 265 (Econosto), 719 dagen; OK 22 september 2009, JOR 2009/288 (Grolsch), 572 dagen. Zie bijlage 2, tabel 6.1.
O.m. OK 21 december 2010 (ro. 3.14), ARO 2011/16 (Smit Internationale); OK 7 december 2011 (ro. 3.15), JOR 2011/45 (Corporate Express); OK 12 januari 2010 (ro. 3.5), ARO 2010/26 (Tele Atlas); OK 11 november 2008 (ro. 3.14), JOR 2008/336 (Grolsch); OK 28 oktober 2008 (ro. 3.14), JOR 2008/335 (Numico).
Het wettelijk prijsvermoeden van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c lid 6 BW is een weerlegbaar vermoeden.1 De OK stelt de prijs overeenkomstig het prijsvermoeden vast, tenzij door de gedaagden feiten en omstandigheden zijn gesteld die dit vermoeden ontkrachten.2 De OK mag ook ambtshalve van het vermoeden afwijken, bijvoorbeeld omdat zij het tijdsverloop vanaf het openbaar bod tot aan de prijsvaststelling te groot acht.3
Als het wettelijk prijsvermoeden niet opgaat, stelt de OK zelfstandig de uitkoopprijs vast.4 Het vaststellen van de prijs geschiedt dan aan de hand van dezelfde uitgangspunten die gelden voor de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW (§ 9.3.1-9.3.3).