Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.4.3
II.4.3 De motieven voor de wettelijke verankering van de one tier board
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242818:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de wetgever bood de term ‘werkkring’ in het oude art. 2:9 BW hier een aanknopingspunt voor. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 3 (MvT).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 3-4 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 1 (MvA). Deze opvatting werd zoals gezegd onderschreven door onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 424; Bulten 2012, p. 7; Calkoen 2012, p. 310-312; Dortmond 2003, p. 120; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2005/91; Honée 2006, p. 219; Van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000, afl. 6, p. 138-143; Strik 2010, p. 123; en Winter, Ondernemingsrecht 2001, afl. 7, p. 196.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 3-4 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 2 (MvA).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 1 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2-3 (NV); en Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 18.
Deze vraag is in de commentaren op het voorontwerp bevestigd. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 2 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 4 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 2 en 4 (Verslag). Tweede Kamerlid Heerst (PvdA) wees hier eerder ook al op, zie Kamerstukken II 2007/08, 29 752, 7, p. 2 (Verslag van een algemeen overleg).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 4 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV). Zie voorts Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 18.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 3-4 en 12-14 (NV); en Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 18. De minister gaf aan dat hem geen ondernemingen bekend zijn die vanwege de inrichting van Nederlandse rechtsvormen hebben afgezien van vestiging in Nederland of tot vertrek uit Nederland zijn overgegaan, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 4 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 4 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 12 (NV). De minister herhaalde zijn standpunt meermalen tijdens de parlementaire behandeling van de regeling, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 2 (MvT); Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 3-4 en 13-14 (NV); en Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 18.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 12 (NV). In het verlengde hiervan stelden de leden van de CDA-fractie de vraag of factoren als het fiscale klimaat en de politieke stabiliteit bij de beoordeling van de vestigingsplaats niet zwaarder wegen dan het aanbod van rechtsvormen. De minister antwoordde dat het fiscale klimaat en de politieke stabiliteit inderdaad een belangrijke rol spelen bij die beoordeling. Welke factor of welk samenstel van factoren de doorslag geeft, verschilt volgens hem van geval tot geval. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 2 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 3-4 (NV).
De leden van de PvdA-fractie verwezen naar de column ‘One-tier ambitie’ in het Financieele Dagblad van 15 maart 2008, waarin Jaap Winter en Kees Cools aandacht besteedden aan de oorsprong van het dualistische bestuursmodel. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 3 (Verslag).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 3 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 7-8 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 3 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 7 (NV).
Zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, B, p. 2 (VV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 3 (MvA).
Zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 3 (MvA).
De Wet bestuur en toezicht bracht volgens de minister niets nieuws onder de zon. Nederlandse niet-structuurvennootschappen konden de bestuurstaken ook al voor de inwerkingtreding van de wet zodanig verdelen dat het bestuur uit uitvoerende en toezichthoudende bestuurders bestond.1 Volgens de minister leidde de Wet bestuur en toezicht dan ook niet tot de invoering van het monistische bestuursmodel, maar tot een verbeterde wettelijke invulling daarvan.2
De wetgever wilde met de Wet bestuur en toezicht in de eerste plaats de rechtszekerheid vergroten. Hoewel Nederlandse niet-structuurvennootschappen ook al voor de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht konden kiezen voor een monistische bestuursstructuur, maakten slechts enkele vennootschappen van die mogelijkheid gebruik.3 Volgens de minister stond de in de literatuur en de praktijk bestaande onzekerheid over onder meer de inrichting van het monistische bestuursmodel, de verenigbaarheid van een vergaande taakverdeling met de wet en de gevolgen van een taakverdeling voor het beginsel van collegiale bestuursverantwoordelijkheid aan een veelvuldig gebruik van het monistische bestuursmodel in de weg. Omwille van de rechtszekerheid achtte hij een wettelijke regeling inzake het monistische bestuursmodel wenselijk.4
Daarnaast beoogde de Wet bestuur en toezicht bij te dragen aan de vergroting van de bruikbaarheid van de rechtsvorm van de NV en de BV in nationale en internationale verhoudingen. Toenmalig Minister van Justitie Hirsch Ballin dacht dat Nederlandse kapitaalvennootschappen aan betekenis zouden kunnen winnen door bestuursmodellen aan te bieden waaraan in de praktijk behoefte bestaat.5De minister had geconstateerd dat in de praktijk vraag was naar het monistische bestuursmodel.6 De regeling die aan de one tier board een wettelijke basis gaf, kwam volgens hem aan die behoefte tegemoet.7 Bovendien zou zij de herkenbaarheid vergroten en aldus het vestigingsklimaat aantrekkelijker maken.8
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht is hier discussie over gevoerd. Verschillende Tweede Kamerleden wezen de minister erop dat ondernemers reeds een buitenlandse rechtsvorm met een monistische bestuursstructuur in Nederland konden vestigen.9 De leden van de SP-fractie vroegen hem dan ook naar de toegevoegde waarde van de Wet bestuur en toezicht. De minister antwoordde dat de Nederlandse wetgever geen invloed kan uitoefenen op de verhouding tussen de bestuurders en de toezichthouders in een in Nederland gevestigde buitenlandse rechtsvorm, omdat die verhouding wordt beheerst door buitenlands recht.10 Met het aanbieden van verschillende bestuursmodellen beoogde de wetgever te stimuleren dat zowel in nationale als internationale verhoudingen voor een Nederlandse rechtsvorm wordt gekozen.11 De leden van de fractie van de PvdA vroegen zich af waarom de minister de keuze voor Nederlandse rechtsvormen wilde stimuleren. Op welke manier is Nederland daarbij gebaat? De wet begrenst de vrijheid om een rechtsvorm te kiezen en naar persoonlijke behoefte in te richten. Kiest een ondernemer voor een Nederlandse rechtsvorm, dan gelden de Nederlandse voorschriften voor bijvoorbeeld de inrichting van bestuur en toezicht. Het is daarom van essentieel belang het Nederlandse vestigingsklimaat aantrekkelijker te maken, aldus de minister.12 Of ondernemers na de inwerkingtreding van de wet daadwerkelijk vaker zullen kiezen voor een Nederlandse rechtsvorm, vond hij ‘moeilijk te zeggen’. Ook andere factoren zijn immers van belang voor de keuze voor een bepaalde rechtsvorm.13
Tijdens de behandeling van de regeling in de Tweede Kamer kwam tot slot de vraag op of met de introductie van de one tier board in Boek 2 BW niet een – in de woorden van de fractieleden van de PvdA – ‘stukje Nederlands cultuurhistorisch erfgoed’ verloren zou gaan.14 Het antwoord van minister Hirsch Ballin luidde negatief. Volgens hem brak de Wet bestuur en toezicht niet met de traditie van het ‘oude’ bestuurssysteem, omdat vennootschappen ook na haar inwerkingtreding nog kunnen kiezen voor een dualistische bestuursstructuur. De minister benadrukte dat de Wet bestuur en toezicht niet tot stand is gekomen als gevolg van een vastgesteld gebrek in het dualistische bestuurssysteem. Met de wet beoogde hij slechts een alternatief te bieden voor het bestuurssysteem met een raad van commissarissen.15 Van verlies van Nederlands cultuurhistorisch erfgoed was volgens hem dan ook geen sprake.16
In het verlengde hiervan stelden de leden van de SP-fractie de vraag of het Rijnlandse vennootschapsmodel het in de toekomst zou gaan afleggen tegen het Anglo-Amerikaanse vennootschapsmodel. Minister Opstelten had niet de indruk dat het monistische bestuursmodel het dualistische bestuursmodel integraal zou gaan vervangen.17 Hij benadrukte dat het monistische bestuursmodel ‘niet superieur’ is aan het dualistische bestuursmodel.18
Bij de beantwoording van bovenstaande vraag stond de minister stil bij het onderscheid tussen het Rijnlandse en het Anglo-Amerikaanse model. Ook tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer kwam het verschil tussen voornoemde modellen uitgebreid ter sprake. In de volgende subparagraaf besteed ik daarom kort aandacht aan de kenmerken van het Rijnlandse en het Anglo-Amerikaanse model.