Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/10.3.4.7
10.3.4.7 Habitattoets
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS447407:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6, lid 2 Hrl.
Dit is onder meer het geval bij het melden van de activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van European sites. Zie art. 19 CHSR 2010 e.v.
Rodgers 2013, p. 225-226. De verplichting om mogelijk effecten op European sites te toetsen gaat nadrukkelijk verder dan alleen ruimtelijke ordening. Dat is ook expliciet uitgesproken in de Engelse rechtspraak: EWHC 15 november 2001, Friends Of The Earth Ltd & Anor, R (on the application of) v Secretary Of State For Environment, Food & Rural Affairs, EWHC Admin 914.
In andere EU-Lidstaten, zoals Frankrijk, Oostenrijk en Zweden, is dat evenmin het geval. Zie Backes 2006b, p. 48-49.
Dit is in meer EU-lidstaten het geval. Zie Backes 2006b, p. 45-46. Bij de invulling van deze begrippen wordt net als in Nederland gebruik gemaakt van definities/omschrijvingen in de M.e.r.-richtlijn van 27 juni 1985 (85/337/EG), PbEG 1985, L 175 (plannen) en HvJ EG 7 september 2004, zaak C-127/02, M en R 2005, 40, AB 2004, 365 (Kokkelvisserij-arrest). Een goed voorbeeld hiervan is te vinden in EWHC 16 februari 2010, Stephan Akester and Marc Melanaphy v. DEFRA/Wightlink Limited, 232 (Admin).
In de Engelse literatuur en jurisprudentie wordt met betrekking tot de uitleg en interpretatie van deze begrippen veelvuldig verwezen naar HvJ EG 7 september 2004, zaak C-127/02, Kokkelvisserij en/of de richtsnoeren van de European Commission 2000a en 2007. Zie bijvoorbeeld EWHC 5 december 2008, The Queen on the application of Peter Charles Boggis, Easton Bavents Conservation v Natural England, 2954 (Admin).
Zie bijvoorbeeld Tromans 2012. De Engelse rechter heeft geoordeeld dat de aanwijzing van een SSSI op zichzelf geen ‘plan of project’ in de zin van art. 6 Hrl is. Dat is van belang aangezien alle European sites ook worden aangewezen als een SSSI. EWCA 20 oktober 2009 Boggis & Anor v Natural England & Anor, EWCA Civ 1061.
Waarbij wel de vraag kan rijzen wanneer sprake is van significant verstorende effecten. Zie over deze Problematiek: George en Graham 2012.
De voorloper van de huidige CHSR 2010, de CNHR 1994, was van toepassing op Engeland en de overige delen van de UK.
Rodgers 2013, p. 220.
HvJ EG 20 oktober 2005, zaak C-6/04, 2005 I-09017 (Commissie/Verenigd Koninkrijk). Zie voor wat betreft de bestemmingsplannen de rechtsoverwegingen 51-56.
Zie over deze problematiek: EWHC 1 mei 2008, R. (Hart District Council) v Secretary of State for Communities and Local Government, 1204 (admin); 2P.&C.R. 16; EWCA 15 januari 2009, R. (Lewis) v Redcar and Cleveland District Council, Civ 746.
HvJ EG 7 september 2004, zaak C-127/02, M en R 2005, 40, AB 2004, 365 (Kokkelvisserij-arrest).
In de Engelse jurisprudentie worden net als in Nederland strikte eisen met betrekking tot de inhoud van de passende beoordeling gesteld. Zie bijvoorbeeld EWHC 1 mei 2008, Hart District Council, R (on the application of) v Secretary of State for Communities & Local Government & Ors, EWHC 1204 (Admin).
Dit is gebeurd met behulp van de Conservation (Natural Habitats, etc.) (Amendment) Regulations 2007. Een uitgebreide beschrijving van deze problematiek is te vinden in het commentaar bij Reid en Woods 2006.
De algemene handleidingen zijn te vinden op de website van Natural England. Er bestaat ook een aparte handleiding voor het beoordelen van ruimtelijke ordening en bouwplannen: Planning for the Protection of European sites: Appropriate Assessment – Guidance For Regional Spatial Strategies and Local Development Documents. Dit document is te vinden op www.communities.gov.uk/archived/publications/planningandbuilding/planning2.
Over dit onderwerp is net als in Nederland veel geschreven. Een overzicht op hoofdlijnen is te vinden in Rodgers 2013, p. 225-231. Afzonderlijke aspecten van de habitattoets (passende beoordeling) worden onder meer belicht in George en Graham 2012, Tromans 2012, Scott 2012, Jones 2012b, McGillivray 2012, McGillivrary 2011 en Owen 2007.
Het merendeel van de beschikbare jurisprudentie heeft hier betrekking op. Zie onder meer: EWHC 20 juni 2013, Forest of Dean Friends of the Earth and Forest of Dean District Council, EWHC 1567 (Admin); 17 mei 2013, Feeney v SST [2013] EWHC 1238; 20 juni 2013, Forest of Dean Friends of the Earth and Forest of Dean District Council, EWHC 1567 (Admin); EWHC 12 juni 2012, Elliott v Secretary of State for Communities and Local Government, 1574 (Admin); 2 augustus 2011, Stephen Hargreaves v Secretary of State for Communities and Local Government, Wyre Borough Council, Cornwall All Light and Power Company Limited, EWHC 1999 (Admin) en EWCA 10 maart 2010, 1882 Regina (Morge) v Hampshire County Council, Civ 608; UKSC 19 januari 2011 Morge (FC) v Hampshire County Council In Lowther 2011 is een nadere analyse te vinden van de Morge-case. Vanwege de probleemstelling van dit onderzoek is afge-zien van een uitvoerige analyse en bespreking van de bovengenoemde jurisprudentie.
www.jncc.defra.gov.uk/protectedsites/sacselection/sac.asp?EUCode=UK0014794.
Het betrof gebreken met betrekking tot de bekendmaking van besluiten over de wijze waarop belanghebbenden in de gelegenheid waren gesteld om hun bezwaren naar voren te brengen. Hoewel een en ander geen ‘schoonheidsprijs’ verdiende, was de rechter van mening dat het vaststellen van de bestreden plannen – in het bijzonder het opstellen van de passende beoordeling – wel correct is verlopen.
EWHC 20 juni 2013, Forest of Dean Friends of the Earth and Forest of Dean District Council, EWHC 1567 (Admin).
EWHC 13 oktober 2011, Cornwall Waste Forum St Dennis Branch v Secretary of State for Communities and Local Government, [2011] EWHC 2761 (Admin).
EWCA 29 maart 2012, Cornwall Waste Forum St Dennis Branch v Secretary of State for Communities and Local Government, [2012] EWCA Civ 379.
Ministerie van LNV 2005c en het Ministerie van LNV 2005e.
Art. 19d, lid 1 Nbw 1998 (Nbw 1998-vergunning) respectievelijk art. 19j, lid 1 Nbw 1998 (plantoets).
Nijmeijer e.a. 2010, p. 11-12.
Artt. 5.1 en 5.2 Wm
Aldus Van Buuren e.a. 2010, p. 418-419.
Zie daarover in algemene zin: Backes 2006b, p. 27-28.
De specifieke bepalingen met betrekking tot deze onderwerpen zijn te vinden in CHSR 2010, part 6, chapters 2-8. Zie de artikelen 68-107 CHSR 2010.
Voor wat betreft de Nederlandse situatie: art. 19f, lid 1 Nbw 1998. De verplichting voor de Engelse overheid om een passende beoordeling op te stellen is te vinden in art. 61, lid 1 CHSR 2010 jo. art. 7, lid 1 sub a CHSR 2010. In theorie is het – net als in Nederland – mogelijk dat er meerdere bevoegde gezagen zijn. Een regeling voor dergelijke gevallen is te vinden in art. 65 CHSR 2010.
Art. 61, lid 2 CHSR 2010.
Art. 63, lid 1 CHSR 2010. In veel gevallen gaat het hierbij om het verlenen van een ‘consent’. Dit is een goedkeuring.
Art. 63, lid 4 CHSR 2010. Verdere voorschriften met betrekking tot deze procedure zijn te vinden in Art. 64 CHSR 2010.
HvJ EG 7 september 2004, zaak C-127/02, M en R 2005, 40, AB 2004, 365 (Kokkelvisserij-arrest), r.o. 47-48.
Art. 64, lid 3 CHSR 2010. Een goed voorbeeld hiervan vormen de omstreden plannen om in de European site Severn Estuary een stuwdam aan te leggen. Informatie over deze kwestie is te vinden op de website www.severnestuary.net/asera/resources.html. Eind 2010 is door de Engelse regering vanwege de hoge kosten besloten om in ieder geval voorlopig van dit plan af te zien. Uit de voor dit doel opgestelde passende beoordeling blijkt dat de aanleg van de stuwdam significant verstorende effecten zou hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken European site. In verband daarmee zou het noodzakelijk zijn om compenserende maatregelen te treffen. Zie de website van het Departement of Energy and Climate Change: www.decc.gov.uk/EN/Default.aspx?n1=3&n2=51&n3=58&n4=60&n5=171.
Art. 62 jo. art. 66 CHSR 2010. Een goed voorbeeld hiervan is te vinden in de uitspraak EWHC 9 mei 2005, Humber Sea Terminal Ltd v Secretary of State for Transport, 1289 (Admin). In deze zaak stond de uitvoering van compenserende maatregelen ter discussie. Deze maatregelen waren noodzakelijk vanwege de uitbreiding van een haven aan de monding van de rivier de Humber. Als gevolg daarvan gingen kwalificerende natuurwaarden verloren.
De doelstelling van de Hrl is het behoud of het realiseren van een ‘gunstige staat van instandhouding’ van kwalificerende habitats en soorten in alle European sites. Indien noodzakelijk moeten de EU-Lidstaten passende maatregelen nemen om verslechterende en/of significant verstorende effecten op de kwalificerende natuurwaarden te voorkomen.1 Dit kan gebeuren met behulp van positieve (een ‘doen’) en/of negatieve maatregelen (een ‘nalaten’). In het laatste geval gaat het om het voorkomen en/of het verbieden van activiteiten met significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van habitats en soorten. Daarbij speelt de habitattoets een belangrijke rol. Het uitvoeren van deze toets is verplicht bij verlenen van een vergunning en/of toestemming voor activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende effecten op de kwalificerende habitats en soorten in European sites.2 Net als in Nederland vormt de voorgeschreven toetsing van de mogelijke effecten van plannen en projecten een belangrijk – zo niet het belangrijkste instrument – voor de bescherming van European sites.3
De habitattoets bestaat in ieder geval uit een voortoets en – indien noodzakelijk – uit een passende beoordeling (appropriate assessment). In het Engelse recht is de habitattoets gecodificeerd in de CHSR 2010. De term habitattoets is als zodanig nergens in deze wet te vinden. Net als in de Nederlandse Nbw 1998 maakt de CHSR 2010 geen onderscheid tussen een voortoets en de passende beoordeling.4 In de praktijk lopen de voortoets en passende beoordeling in elkaar over. De algemene regels voor het uitvoeren van de habitattoets zijn vastgelegd in de artikelen 60-66 CHSR 2010. Genoemde bepalingen vormen bijna een letterlijke codificatie van artikel 6, derde en vierde lid Hrl. In de CHSR ontbreekt een uitwerking van de termen ‘plan’ en ‘project’.5 Net als in Nederland worden deze begrippen ingevuld met behulp van jurisprudentie van het HvJ EU en de richtsnoeren van de EC.6 De invulling van deze twee kernbegrippen roept vragen op en leidt in de praktijk soms tot problemen.7 In beginsel kan een plan of project alleen worden uitgevoerd als er geen sprake is van significante verstorende effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van habitats en soorten.8
In het verleden bestonden tussen het VK en de EC diepgaande meningsverschillen over de reikwijdte van de passende beoordeling.9 Onder de vigeur van de CNHR 1994 waren en aantal planfiguren, waaronder bestemmingsplannen, bewust uitgesloten van de verplichting om een passende beoordeling op te stellen.10 De Britse overheid betwistte de (mogelijke) significante effecten van ruimtelijke plannen op de habitats en soorten in European sites. Dit standpunt was mede ingegeven door het feit dat voor plannen en projecten doorgaans ook een vergunning benodigd is. Eventuele schade aan kwalificerende habitats en soorten kon volgens de wetgever in de VK in het kader van de vergunningprocedure worden voorkomen. Om die reden bestond er geen noodzaak om de ruimtelijke plannen aan een passende beoordeling te onderwerpen. Dit kon net zo goed gebeuren bij het verlenen van toestemming voor de realisering van concrete projecten. Naar de mening van de EC was dit standpunt niet correct en moesten ook ruimtelijke plannen passend worden beoordeeld. De reden hiervoor is dat dergelijke plannen bepalend zijn voor het gebruik van gronden en bouwwerken. Het Europese Hof van Justitie volgde de redenering van de EC en het VK werd in het kader van een ingebrekestellingsprocedure veroordeeld wegens een onvolledige implementatie van de Hrl in het Engelse ruimtelijke bestuursrecht.11 In het verleden bestond tussen het VK en de EC ook een verschil inzicht over de wijze waarop een passende beoordeling moest worden uitgevoerd. Op grond van het Engelse recht was het voldoende om een paar deskundigen van Natural England te raadplegen.12 In eerste instantie was het op Europees niveau onduidelijk aan welke eisen een passende beoordeling moest voldoen. Deze vraag werd uiteindelijk beantwoord in het Kokkelvisserij-arrest.13 Daarin bepaalde het HvJ EG onder andere dat onderzoek naar eventuele significante effecten moet worden uitgevoerd met behulp van de ‘beste wetenschappelijke kennis ter zake’. De uitspraak van het Hof had onder meer tot gevolg dat bij het opstellen van een passende beoordeling niet langer kon worden volstaan met het inschakelen van enkele deskundigen.14
Naar aanleiding van de bovengenoemde jurisprudentie van het HvJ EG (thans: HvJ EU) is de Engelse wet- en regelgeving (CNHR 1994) op belangrijke punten gewijzigd.15 Bij het opstellen van een passende beoordeling wordt gebruik gemaakt van speciale NE-handleidingen (Habitats Regulations Guidance Notes).16 Desondanks roept de wijze waarop een passende beoordeling moet worden uitgevoerd nog altijd vragen op. In de Engelse wetenschappelijk literatuur bestaat discussie over de effectiviteit en de noodzaak van een passende beoordeling, en leven vragen met betrekking tot de invulling van belangrijke begrippen zoals significante effecten, beste wetenschappelijke kennis ter zake en toepassing van de ADC-criteria (zoals de uitleg van het verschil tussen mitigerende en compenserende maatregelen).17 Een grootste deel van de beschikbare jurisprudentie betrekking op de bovenstaande kwestie(s).18 Dit is onder meer het geval in de (recente) zaken Forest of Dean Friends of the Earth and Forest of Dean District Council (2013) en Cornwall Waste Forum St Dennis Branch v. Secretary of State for Communities and Local Government(2012). In het kort daarover het volgende:
De uitspraak Forest of Dean Friends of the Earth and Forest of Dean District Council betreft een beroep tegen twee ruimtelijke plannen voor het Cinderford Northern Quarter. De ruimtelijke plannen maken onder meer de aanleg van een nieuwe rondweg mogelijk. Het beoogde tracé ligt in de nabijheid van de European site Wye Valley and the Forest of Dean. Dit gebied is gelegen in het grensgebied tussen Engeland en Wales en bestaat uit een tiental kleinere deelgebieden van voormalige (kolen)mijnen en bijbehorende bedrijfsgebouwen. Genoemd gebied is aangewezen als European site vanwege het voorkomen van de kwalificerende vleermuizensoorten Kleine Hoefijzerneus en Grote Hoefijzerneus. Het Forest of Dean omvat het leefgebied van 25% van de totale Engelse populatie van de Kleine Hoefijzerneus.19 Bewoners van een klein dorpje in het plangebied hebben de procedure aanhangig gemaakt bij het High Court omdat de passende beoordeling niet correct zou zijn uitgevoerd. Als gevolg daarvan is niet uitgesloten dat de aanleg van de ringweg verslechterende of significant verstorende effecten heeft op het leefgebied van de vleermuizen. Hoewel er bij het uitvoeren van de passende beoordeling procedurele fouten zijn gemaakt, is de rechter van mening dat de opgestelde passende beoordeling de toets der kritiek kan doorstaan.20 De bevoegde autoriteiten krijgen van het High Court wel nadrukkelijk de opdracht om bij de aanleg van de ringweg toe te zien op de daadwerkelijke uitvoering van de benodigde ‘mitigerende maatregelen’.21
In de zaak Cornwall Waste Forum St Dennis Branch v. Secretary of State for Communities and Local Government had de Minister (Secretary of State) toestemming verleend voor de bouw van twee biomassacentrales. In het kader van die procedure was geen passende beoordeling opgesteld. Naar verwachting zou de luchtkwaliteit met minder dan 1% verslechteren. Volgens appellanten was de beslissing om geen passende beoordeling op te stellen door een onbevoegde instantie genomen en waren (mogelijke) significante effecten niet uitgesloten. Het High Court stelde de appellanten in het gelijk en vernietigde de eerder verleende toestemming.22 In hoger beroep was het Court of Appeal een andere mening toegedaan. Bij het verlenen van de toestemming voor de bouw van de biomassacentrales waren procedurele fouten gemaakt. Volgens het Court was de onderliggende vraag in deze procedure of de 1%-grens voor het beoordelen van significante effecten de toets der kritiek kan doorstaan. Naar de mening van de rechter in het Court of Appeal was het onvoldoende om de 1%-grens in algemene zin te betwisten. Naar de mening van het Court hadden de appellanten ten onrechte nagelaten om hun beroep tegen de 1%-grens te motiveren. Om die reden bleef de eerder verleende toestemming van de Minister, ondanks de procedurele fouten, toch in stand.23
De wijze waarop in Engeland de habitattoets wordt uitgevoerd verschilt op een aantal punten met de Nederlandse aanpak. In Nederland zijn de regels voor het uitvoeren van de habitattoets opgenomen in de Nbw 1998. Daarnaast zijn er door het Ministerie van LNV (het huidige Ministerie van EZ) speciale handleidingen ontwikkeld ten behoeve van het uitvoeren van een habitattoets.24 Indien noodzakelijk wordt een passende beoordeling opgesteld in het kader van een artikel 19d Nbw 1998 of een artikel 19j Nbw 1998-procedure.25 Sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht haakt de toestemming op basis van de Nbw 1998 in bepaalde gevallen aan bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning ex artikel 2.1 of 2.2. Wabo. Dit is het geval voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning en een toestemming op basis van de Nbw 1998 benodigd is. De toestemming (of de weigering) op basis van de Nbw 1998 gaat (inclusief de uitgevoerde passende beoordeling) op in de procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning.26 In de literatuur wordt dit verschijnsel incidentele integratie genoemd.27 In het Nederlandse milieurecht is een ontwikkeling gaande richting een integraal stelsel. In dat verband kan worden gewezen op de mogelijkheid om op basis van hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer milieukwaliteitseisen op te stellen. Dit zijn algemene regels die van toepassing zijn op plannen en besluiten in andere bijzondere (sectorale) wetten.28 Er zijn al milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit vastgesteld.29 Het is niet uitgesloten dat in de nabije toekomst vergelijkbare regels worden vastgesteld voor de waterkwaliteit.30 Bij de codificatie van de passende beoordeling in de Engelse wet- en regelgeving is al gekozen voor een integraal stelsel.31 De algemene regels voor het uitvoeren van een passende beoordeling zijn opgenomen in de CHSR 2010. Het opstellen van passende beoordeling vindt in voorkomende gevallen plaats in het kader van besluitvorming op basis van andere sectorale wet- en regelgeving. De CHSR 2010 bevat een opsomming van plannen en besluiten waarvoor het opstellen van een passende beoordeling verplicht is. Daarbij gaat het onder meer om de volgende zaken: ‘planning, highways and roads, electricity, pipe-lines, transport and works, environmental controls en land use plans’.32 In Nederland is de initiatiefnemer van een plan of project verantwoordelijk voor het opstellen van een passende beoordeling. In Engeland rust deze verplichting op de overheidsinstantie die bevoegd is om over de toelaatbaarheid van een plan of project te oordelen.33 De aanvrager van de goedkeuring, de toestemming of van de autorisatie is wel verplicht om de gegevens aan te leveren die redelijkerwijs benodigd zijn voor de passende beoordeling.34 Naar Engelse recht kan de verplichting om een passende beoordeling op te stellen zich opmerkelijk genoeg ook uitstrekken tot een plan of project waarvoor – voor de aanwijzing van een gebied als European site – al toestemming is verleend.35 Indien bij de realisatie van een dergelijk plan of project mogelijkerwijs significante effecten optreden, moet de bevoegde overheidsinstantie een ‘review’, of herziening, uitvoeren. Een herzieningsprocedure kan leiden tot de bevestiging, de wijziging of de intrekking van een eerder verleende toestemming. De herzieningsplicht is niet van toepassing op activiteiten die krachtens een eerder genomen besluit, of verleende toestemming, goedkeuring of autorisatie al zijn uitgevoerd.36 Hierbij kan worden gedacht aan een gebouwd huis, een aangelegde autosnelweg of een haven. Dit ligt anders voor nog niet uitgevoerde projecten of voortdurende projecten zoals het periodiek uitbaggeren van een rivier. Uit het HvJ EG-arrest Stadt Papenburg volgt dat er geen verplichting bestaat tot het uitvoeren van een passende beoordeling indien een project voor de inwerkingtreding van de Hrl (10 juni 1994) is goedgekeurd, en sindsdien in ongewijzigde vorm is voortgezet.37 Dat betekent dat de algemeen geformuleerde Engelse herzieningsverplichting in strijd is met de Hrl. Een plan of project kan in beginsel alleen doorgang vinden – al dan in aangepaste vorm – indien significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een European site zijn uitgesloten.38 Dit ligt alleen anders wanneer een plan of project moet worden uitgevoerd vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang. In dat geval is het verplicht om compenserende maatregelen uit te voeren.39