Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.4.4.5
3.4.4.5 Verzekeringsplicht en gewoonlijk in het buitenland gestalde motorrijtuigen
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401831:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars is als zodanig erkend bij Ministerieel Besluit van 30 december 1964, Stcrt. 1965, 1. Sedert de implementatie van de 4e Richtlijn in de Nederlandse wetgeving met de wet van 3 juli 2003, Stb. 2003, 275, treedt het Bureau ook op als het Informatiecentrum als bedoeld in art. 27b Wam.
Een aantal Nederlandse verzekeraars is bereid gewone polissen af te geven aan houders van buitenlandse voertuigen (van buiten de EU), die aan de grens dekking willen verkrijgen. Voor deze categorie motorrijtuigen is de grensverzekering bedoeld.
Zie par. 3.3.5.3.
Zie par. 3.3.5.5 onder a en b.
Agreement between the Bureaux of the Member States of the European Economic Area (E. E. A) and Switzerland concerning the signature/cancellation of the Uniform Agreement with the Bureau of a 3rd country, art. 2 onder b. Een dergelijke overeenkomst met het Bureau van een niet-lidstaat van de EER kan worden beëindigd als meer dan een derde van de Bureaus van de EER-landen daartoe wenst over te gaan.
Zie voor Duitsland § 1 KfzPflVV (Kraftfahrzeug-Pflichtversicherungsverordnung), waaromtrent Feyock, Jacobsen & Lemor, Bemerkung 1 bij deze bepaling. Zie voor België Art. 1, tweede volzin van de Modelovereenkomst, als bijlage gevoegd bij het Koninklijk Besluit van 14 december 1992, betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (B.S. (Belgisch Staatsblad) 03.02.1993). De Belgische ‘Wam-verzekeraar’ dient, naast de landen van de EER, te dekken schade in Marokko, Tunesië en Turkije.
Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 november 1994, Stcrt. 1994, 237.
a. Algemeen
Ook buitenlandse motorrijtuigen zijn aan de verzekeringsplicht onderworpen.
Weliswaar is art. 2 lid 1 Wam niet van toepassing op gewoonlijk in het buitenland gestalde motorrijtuigen, maar dat is slechts het geval als “een voor dat doel door Onze Minister van Financiën erkend bureau, dat rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is, of een groep van verzekeraars, dan wel een, bij algemene maatregel van bestuur daartoe erkende, in Nederland gevestigde buitenlandse instantie tegenover de benadeelden de verplichting op zich heeft genomen de schade door die motorrijtuigen veroorzaakt, overeenkomstig de bepalingen van deze wet te vergoeden.” Zie art. 2 lid 6 Wam.
Het ‘door de Minister van Financiën te erkennen bureau’ is het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars (NBM), dat optreedt als Bureau in het kader van het groenekaartstelsel.1 Van het Bureau zijn op de voet van art. 4:70 en 4:71 Wft alle in Nederland toegelaten verzekeraars lid, die de branche WA-motorrijtuigverzekering mogen uitoefenen.
Bij de ‘groep van verzekeraars’ heeft de wetgever gedacht aan de Nederlandse Motorrijtuigverzekeringsgroep, die bij het tot stand komen van de Wam door de Nederlandse verzekeraars werd opgericht om te voorzien in de behoefte aan grensverzekeringen. Deze groep is – voornamelijk wegens de met de voortschrijdende uitbreiding van de EU afnemende behoefte aan in Nederland afgegeven grensverzekeringen – in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw opgeheven.
Zie hierna onder c.2
De erkenning van een buitenlandse instantie moet naar ik aanneem worden geplaatst in het kader van art. 5 lid 1 van de Richtlijn, dat betrekking heeft op de vrijstelling van de verzekeringsplicht van voertuigen toebehorend aan bepaalde natuurlijke of rechtspersonen.
Zie paragraaf 3.3.5.5 onder a. Een dergelijk besluit tot erkenning is echter (nog) niet genomen. Nederland is evenmin, conform de voorwaarden van art. 5 lid 1 van de Richtlijn, overgegaan tot aanwijzing van een instantie in de andere lidstaten, die kan worden aangesproken als een gewoonlijk in Nederland gestald en van de verzekeringsplicht vrijgesteld voertuig in een der andere lidstaten een ongeval veroorzaakt.
Dit betekent dat de benadeelde bij een ongeval in Nederland dat door een dergelijk, onder gebruikmaking van art. 5 lid 1 van de Richtlijn, in een andere lidstaat vrijgesteld voertuig is veroorzaakt, zich tot het Nederlands Bureau dient te wenden. De benadeelde bij een ongeval in een andere lidstaat, veroorzaakt door een Nederlands, (met gebruikmaking van art. 5 lid 1 van de Richtlijn) ex art. 17 of 18 van deWam van de verzekeringsplicht vrijgesteld voertuig, dient zich tot het Bureau van de lidstaat van het ongeval te wenden.
b. De aansprakelijkheid van het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars
Voor welke voertuigen en onder welke omstandigheden neemt het NBM, conform art. 2 lid 6 Wam, de verplichting op zich de door gewoonlijk in het buitenland gestalde motorrijtuigen veroorzaakte schade overeenkomstig de wet te vergoeden?
In de eerste plaats is dat het geval, wanneer de Wam daartoe verplicht. Zie art. 2
lid 8 Wam, dat bepaalt dat het NBM die verplichting in ieder geval op zich neemt voor voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in een land dat in een AMvB is aangewezen, voor zover bij die maatregel daarvoor geen uitzondering is gemaakt.
De AMvB in kwestie is het KB van 23 november 1972, Stb. 1972, 617, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 16 oktober 2007, Stb. 2007, 400. In deze AMvB zijn de landen van de EER opgesomd, alsmede de overeenkomstig art. 8 van de Richtlijn aangewezen derde landen: Andorra, Kroatië en Zwitserland.3
De AMvB bevat inderdaad een mogelijkheid bepaalde voertuigen van de garantie van het Bureau uit te zonderen. Deze uitzondering heeft betrekking op de voertuigen bedoeld in art. 5 lid 1 en 2 van de Richtlijn.4 Deze uitzondering heeft voor Nederland evenwel geen praktische betekenis, omdat aan de voorwaarde dat dan een in Nederland gevestigde buitenlandse instantie moet zijn erkend die de verplichtingen uit hoofde van de Wam tegenover benadeelden op zich neemt, niet is voldaan.
In de tweede plaats neemt het Bureau de verplichtingen tegenover benadeelden uit hoofde van de Wam over als voor het bezoekende buitenlandse voertuig een geldig IVB (Internationaal Verzekeringsbewijs, de groene kaart) is afgegeven. Zoals uit de aan het groenekaartstelsel gewijde paragrafen zal blijken, neemt het NBM deze verplichting op zich uit hoofde van civielrechtelijke overeenkomsten met de zusterorganisaties in andere bij het groenekaartstelsel aangesloten landen. Het NBM is – althans op grond van de wet – niet verplicht dergelijke overeenkomsten met de Bureaus in andere landen te sluiten.
Wel bestaan er in het kader van het groenekaartstelsel tussen de Bureaus van de Europese Economische Ruimte (met inbegrip van Zwitserland, dat optreedt voor Liechtenstein) afspraken dat bij gekwalificeerde meerderheid van 75% van de stemmen wordt besloten over het tekenen van overeenkomsten met Bureaus in landen die niet tot het richtlijngebied behoren.5 Daartoe is besloten omdat enerzijds bepaalde landen er belang bij kunnen hebben dat voertuigen uit derde landen eenvoudig toegang krijgen tot hun grondgebied, terwijl anderzijds deze voertuigen slechts toegang kunnen krijgen als het IVB geldig is voor het gehele grondgebied van de EER. Zonder deze besluitvorming bij meerderheid van stemmen zou een Bureau dat weinig belang heeft bij toelating van voertuigen uit een bepaald land, in de praktijk een recht van veto hebben.
Opgemerkt zij, dat daarmee niet is gezegd dat de Nederlandse verzekeraars verplicht zouden zijn hun verzekerden onder het IVB dekking te verlenen in die derde landen.
Anders dan in een aantal andere landen is de Nederlandse verzekeraar vrij zijn dekking te beperken tot de landen bedoeld in art. 2 lid 8 Wam. Anders bijvoorbeeld Duitsland, waar de motorrijtuigverzekeraars Europadekking hebben te verlenen; ook België kent een ruimere verplichte geografische dekking.6
c. De grensverzekering
Hier moet vervolgens nog worden gewezen op de zogenaamde grensverzekering. Dit is een polis, die wordt afgegeven voor gewoonlijk in het buitenland gestalde motorrijtuigen, die een land willen binnenkomen, maar die niet zijn voorzien van een in eigen land afgegeven IVB en (in beginsel) evenmin afkomstig zijn uit een land waarvoor het Bureau reeds op grond van de Richtlijn (en voor wat betreft Nederland op grond van de AMvB ex art. 2 lid 8 Wam) garant moet staan. Het document dat bij de grensverzekering behoort, bevat tevens een IVB, zodat de schaderegeling op grond van dat document door het NBM wordt gegarandeerd.
Nederland kent geen buitengrenzen die voor het binnenkomende wegverkeer van bijzondere praktische betekenis zijn. In de praktijk komen alleen onze zeehavens in aanmerking. Voertuigen die via de grenzen met de ons omringende landen ons land binnenkomen, dienen al van een grensverzekering of een normaal IVB te zijn voorzien, omdat wij slechts door andere lidstaten worden omringd. De grensverzekering dient een de gehele EER omvattende dekking te bieden.
Wegens het geringe praktische belang (het aantal voor een grensverzekeringspolis in aanmerking komende buitenlandse voertuigen is niet groter dan enkele tientallen per jaar) is in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw de speciaal voor de grensverzekering opgerichte Nederlandse Motorrijtuigverzekeringsgroep opgeheven. Nadat de verzekeringsmaatschappij Terminus een aantal jaren voor deze dekking had gezorgd, wordt thans, naar mij uit de praktijk bekend is, ad hoc een oplossing gezocht.
d. Uitzondering voor bijzondere tijdelijke kentekens?
Ten slotte nog een opmerking over art. 2 lid 7 onderdeel d Wam. Daar worden voor de toepassing van de Wam-motorrijtuigen ‘waarvoor een bijzonder kenteken met beperkte geldigheidsduur overeenkomstig een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld model is opgegeven’ geacht gewoonlijk in het buitenland te zijn gestald. Het gaat hier om de zogenaamde GN- en BN-kentekens, die worden afgegeven aan niet-Nederlanders die in Nederland wonen en een bijzondere belastingstatus hebben.7 Deze uitzondering verhoudt zich niet met art. 1 aanhef en punt 4 onder a van de Richtlijn, dat immers bepaalt dat tijdelijke platen niet anders moeten worden behandeld dan gewone.
Door de bepaling dat deze GN- en BN-kentekens gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, zonder dat duidelijk wordt in welk buitenland, zijn zij in wezen ’statenloos’ geworden. Daarmee is onduidelijk wie – in geval van een ongeval met een internationaal element – voor de schade kan worden aangesproken en met name op welke instantie vervolgens het regres moet worden uitgeoefend als het betrokken voertuig niet verzekerd blijkt te zijn.