Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.6.2
7.3.6.2 Doorschuif regeling
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458999:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
De doorschuifregeling van art. 20a, zevende lid, Wet IB is niet van toepassing in geval van ongehuwde partners. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de staatssecretaris van Financiën echter aangegeven dat hij verzoeken van ongehuwde partners om toepassing van de doorschuifregeling van art. 20a, zevende lid, Wet IB op dezelfde wijze zal behandelen, Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 29.
Wel kan de in het buitenland wonende erfgenaam/natuurlijke persoon een beroep doen op de uitstelvanbetalingsregeling van art. 25, zesde lid, Inv.wet en de kwijtscheldingsregeling van art. 26, tweede lid, Inv.wet (zie hierna onderdeel 7.3.8). Zie tevens het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vragen D.2en D.5), door mij besproken in mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 58 e.v. en blz. 66 e.v., Kluwer, Deventer, 1998.
Desgevraagd heeft de staatssecretaris van Financiën toegezegd om in voorkomende gevallen terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 te verlenen, Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 25 692, blz. 2.
Ik wijs erop dat de uitzonderingsregeling van art. 20a, zevende lid, tweede volzin. Wet IB niet geldt voor verkrijgingen krachtens huwelijksvermogensrecht. Overigens is de staatssecretaris van Financiën wel bereid op verzoek één en ander welwillend te bezien, Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 6, blz. 3-4. Voorts is de regeling van art. 20a, zevende lid, tweede volzin. Wet IB niet van toepassing in geval van een legaat, aangezien een legaat geen verdeling van een nalatenschap inhoudt.
In deze zin de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 50. Zie tevens de Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 61-62.
Dit betekent dat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de zuivere erfstelling waarvan in HR 29 juni 1977, BNB 1977/199 sprake was, wel als een vervreemding wordt aangemerkt. De uitkomst van HR 19 maart 1969, BNB 1969/113 is in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling bestendigd.
In zijn brief van 19 oktober 1994, nr. DB94/141M, V-N 1994, blz. 3247 heeft de staatssecretaris van Financiën meegedeeld dat in zeer bijzondere gevallen verlenging van de tweejaarstermijn mogelijk is.
Ik wijs erop dat de tweejaarstermijn van art. 20a, zevende lid. Wet IB in geval van een legaat van aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen niet relevant is. In dezelfde zin het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag E.4.1.) alsmede R.P.C. Cornelisse/A.J. van Soelen, Herziening aanmerkelijkbelangregime; the continuing story, blz. 2921 e.v., FED 1997/776.
Memorie van toelichting Tweede Kamer. Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 67-68.
Tot een daadwerkelijke afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim komt het in bovengenoemde situaties in veel gevallen echter niet vanwege de door-schuifregeling van art. 20a, zevende lid, Wet IB. Ingevolge deze regeling wordt de aanmerkelijkbelangclaim doorgeschoven naar de erfgena(a)m(en) resp. de (andere) echtgenoot van wiens zijde de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen niet in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtig is en de verkregen aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming (sfeerovergang).1 Is daarentegen sprake van sfeerovergang, dan is de doorschuifregeling van art. 20a, zevende lid, Wet IB niet van toepassing, tenzij deze overgang wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater en de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen worden toegescheiden aan een binnenlandse belastingplichtige bij wie de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen geen deel uitmaken van het vermogen van een onderneming.2 Deze laatste regeling is met ingang van 1 januari 19983 aan art. 20a, zevende lid, Wet IB toegevoegd, aangezien geen aanmerkelijkbelangclaim verloren gaat als de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen uiteindelijk weer in de Nederlandse aanmerkelijkbelangsfeer terecht komen. Er is dan geen noodzaak om de aanmerkelijkbelangclaim af te rekenen.4
De regeling van art. 20a, zevende lid, eerste volzin. Wet IB lijkt sterk op de tot 1 januari 1997 geldende regeling van art. 39, negende lid, (oud) Wet IB, zij het dat deze doorschuifregeling per 1 januari 1997 is vervolmaakt met een sfeerovergangsmaatregel. Dit betekent dat elke testamentaire making van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen ten gunste van een rechtspersoon tot afrekening bij de erflater leidt5; hierbij is dan irrelevant of sprake is van een legaat tegen inbreng van de waarde of niet.6 Is de regeling van art. 20a, zevende lid, Wet IB van toepassing, dan geldt ingevolge art. 20d, tweede lid, Wet IB voor de erfgena(a)m(en)/legataris(sen) resp. de andere niet-inbrengende huwelijkspartner als verkrijgingsprijs die welke geldt voor de erflater resp. degene van wiens zijde de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen.
Op het uitgangspunt dat een verdeling van een onverdeelde boedel een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling is voorzover daarbij een over-resp. onderbedeling optreedt (zie onderdeel 7.3.6.1 hiervoor), bevat art. 20a, zevende lid, eerste volzin, Wet IB een uitzondering, nl. als de verdeling van de onverdeeldheid, i.e. de nalatenschap of huwelijksgemeenschap, plaatsvindt binnen twee jaren na het overlijden van de erflater resp. ontbinding van de huwelijksgemeenschap.7 Alsdan is bij wetsfictie geen sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangaandelen als de gerechtigde tot de onverdeelde boedel minder aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen krijgt toebedeeld dan overeenkomt met zijn aandeel in de onverdeeldheid. Dit was overigens ook reeds het geval onder de tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling. Vindt de verdeling van de nalatenschap resp. huwelijksgemeenschap plaats na deze tweejaarsperiode, dan is dus blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad wel sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling, mits daarbij een onder- resp. overbedeling plaatsvindt en wel ter grootte van de onder- resp. overbedeling.8
Wordt in het kader van de verdeling van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap een niet-tijdelijk genotsrecht gevestigd ten behoeve van één van de deelgerechtigden, dan is de doorschuifregeling van art. 20a, zevende lid, Wet IB eveneens van toepassing. Ingevolge art. 20d, tweede lid, slot, Wet IB (vanaf 'met dien verstande') wordt de verkrijgingsprijs van de erflater resp. degene van wiens zijde de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen, doorgeschoven naar de (niet-tijdelijk) genotsgerechtigde en de blote eigena(a)r(en). Hierbij wordt de doorgeschoven verkrijgingsprijs over de blote eigena(a)r(en) en de (niet-tijdelijk) genotsgerechtigde verdeeld overeenkomstig de waarde in het economische verkeer van de blote eigendom en het niet-tijdelijke genotsrecht.9