Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.7.2
5.7.2 Verschillende vormen van winstdeling; verschil tussen maatschappijwinstdeling en overrentedeling
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949901:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een toelichting op het U-rendement https://www.verzekeraars.nl/branche/data-analytics-en-onderzoek/cijfers-statistieken/openbaar-rendementmaatstaven. Daar wordt opgemerkt dat het verzekeraars vrij staat het U-rendement al dan niet en geheel dan wel gedeeltelijk te gebruiken. Er wordt daar toegelicht dat het U-rendement maandelijks wordt vastgesteld op basis van het effectieve rendement van alle euro-obligatieleningen die uitgegeven zijn door de Staat der Nederlanden en voldoen aan de daar vermelde eisen.
Kalkman 2013, p. 169-171 citeert ter toelichting het jaarverslag 2010 van de Ombudsman Financiële Dienstverlening: “Bij overrentedeling is sprake van een geobjectiveerde methode van winstdeling; daarbij is de winst doorgaans afhankelijk van een pakket vastrentende waarden. Indien en voorzover dit rendement hoger is dan het rendement dat de maatschappij nodig heeft om te kunnen voldoen aan haar verplichting op de einddatum het verzekerde kapitaal uit te keren, wendt de maatschappij dit aan om het kapitaal te vergroten of keert zij dit op de einddatum uit in aanvulling op het verzekerde kapitaal. Afhankelijk van de gehanteerde rekenrente (4% bij oude polissen en bij nieuwere 3%) vindt aldus overrentedeling plaats als het rendement hoger is dan deze percentages. Vaak wordt nog een half procent ingehouden, waardoor er pas effectief overrentedeling plaatsvindt als het rendement hoger is dan 4,5 respectievelijk 3,5%. Bij maatschappijwinstdeling is geen sprake van een geobjectiveerde winstdeling, maar is deze afhankelijk van de maatschappijwinst.” Zie over overrentedeling bijvoorbeeld de uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-257 d.d. 14 juni 2016: “De Voorwaarden bepalen dat overrentedeling inhoudt het meedelen in de werkelijke rentewinst van de maatschappij, gebaseerd op het gemiddelde rendement van haar beleggingen. Voor de praktische invulling hiervan heeft Verzekeraar zich op voornoemde grondslagen mogen baseren, mede omdat zij gezien de aard van de garantieverzekering gehouden is om defensief en derhalve tegen acceptabele risico’s te beleggen om ook op langere termijn aan haar toezeggingen te kunnen voldoen. Door de wijziging in 2003 is de grondslag van de overrente gewijzigd van het T-rendement naar het U-rendement. Zowel het T- als het U-rendement zijn objectief bepaalbaar en binnen de branche gebruikelijk en vergelijkbare rendementen. Het U-rendement is net als het T-rendement gebaseerd op een bepaald pakket aan Staatsleningen dat past bij de aard van een garantieverzekering.”
Zie hoofdstuk 6.7.4.3 en 8.6.
Art. 2:62 onder a BW, zie verder hoofdstuk 6.7.4.3 en 8.6 van dit proefschrift.
1. Onderscheid naar de wijze van aanwending/bijschrijving
De wijze waarop een aandeel in de winst toekomt aan de daartoe gerechtigde kan – al naar gelang de polisvoorwaarden – verschillend zijn. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het toegekende bedrag wordt aangewend voor verhoging van het verzekerde bedrag. De regeling kan bijvoorbeeld echter ook inhouden dat het aandeel in de winst in contanten wordt toegekend of als een korting op de premie.1 Ook overigens kunnen er verschillende situaties zijn: het komt bijvoorbeeld voor dat er sprake is van een levensverzekering waarbij de uitkering een gegarandeerd kapitaal is en er door winstdeling dan sprake is van “een extraatje” dat aan het gegarandeerde kapitaal per einddatum wordt toegevoegd. Het komt echter daarnaast bijvoorbeeld voor dat in de offerte een geprognosticeerd eindkapitaal vermeld stond (al dan niet in die situatie benodigd voor de aflossing van een hypothecaire geldlening) dat bereikt moet worden door de combinatie van een gegarandeerd kapitaal en winstdeling.
Voor de toepassing van art. 2:320 BW is het niet relevant op welke wijze het aandeel in de winst toekomt aan de gerechtigde. Het gaat erom dat hij in het bedrijfsresultaat van de verdwijnende verzekeraar meedeelt.
2. Onderscheid op basis van berekeningssystematiek
Er kan niet alleen worden onderscheiden naar de wijze waarop de winstdeling (als het aandeel in de winst is berekend) feitelijk toegekend wordt. Een ander belangrijk onderscheidend element is namelijk het onderscheid tussen enerzijds maatschappijwinstdeling en anderzijds overrentedeling. Bij overrentedeling is er sprake van een geobjectiveerde methode van winstdeling. De winstdeling wordt bepaald aan de hand van een externe “rendementsmaatstaf”. Voorbeelden van rendementsmaatstaven zijn het rendement op bepaalde staatsleningen of het zogenaamde U-rendement.2 Bij maatschappijwinstdeling is geen sprake van een geobjectiveerde winstdeling, maar is deze (het woord zegt het al) afhankelijk van de “maatschappijwinst” of het “bedrijfsresultaat”.3
Rechten op overrentedeling gaan bij een juridische fusie onder algemene titel over; het recht op overrentedeling kan vanwege de berekeningswijze niet beschouwd worden als een bijzonder recht dat onder de werking van art. 2:320 BW valt. Het recht op maatschappijwinstdeling kan wel beschouwd worden als een bijzonder recht dat na de juridische fusie niet meer op gelijke wijze te realiseren is en waarvoor daarom de werking van art. 2:320 BW aan de orde is.
3. De wijze van vastlegging van het recht op maatschappijwinstdeling
Als we ons dan daarom beperken tot het bespreken van maatschappijwinstdeling, dan is het ten slotte mogelijk een onderscheid te maken al naar gelang “in welk juridisch document” de maatschappijwinstdeling wordt toegekend: in de statuten, in de polisvoorwaarden of zowel in de polisvoorwaarden als de statuten.
a. Bij een aantal verzekeraars die niet in de vorm van een onderlinge waarborgmaatschappij worden gedreven, worden in de statuten in het artikel over de winstverdeling (en eventueel het artikel over ontbinding en vereffening van de vennootschap) toch bepaalde rechten op een deel van de winst aan polishouders toegekend. Dit komt met name voor in situaties waarin een onderlinge waarborgmaatschappij in het verleden de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten heeft overgedragen aan een naamloze vennootschap.4 In de statuten van de N.V. zijn dan als het ware bepaalde elementen van het onderlinge karakter uit het verleden nog behouden gebleven. Blijkens de tekst van art. 2:320 BW heeft dit artikel betrekking op een bijzonder recht anders dan als lid of aandeelhouder jegens een verdwijnende rechtspersoon. Deze regeling is dus niet van toepassing ten aanzien van de leden-verzekeringnemers van een onderlinge waarborgmaatschappij in het geval dat de rechten en verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten door een juridische fusie overgaan naar een andere verzekeraar. De verzekeringnemers zijn dan immers tevens lid van de onderlinge waarborgmaatschappij.5 Het kan wel van toepassing zijn in het geval dat een N.V. die ooit de verkrijgende rechtspersoon is geweest bij een portefeuilleoverdracht door een onderlinge waarborgmaatschappij op haar beurt partij wordt bij een juridische fusie met een andere verzekeraar.
b. Daarnaast zijn er situaties waarin in de statuten geen rechten met betrekking tot maatschappijwinstdeling aan polishouders worden toegekend, maar waarin in de polisvoorwaarden een bepaling is opgenomen waarin een recht op winstdeling wordt toegekend.
c. Uiteraard is ook een combinatie mogelijk, dat wil zeggen dat er in de polisvoorwaarden een bepaling staat waarin aan de polishouder een recht op winstdeling wordt toegekend terwijl een ander deel van die regeling in de statuten van de verzekeraar is opgenomen.
Naar mijn mening kan art. 2:320 BW toegepast worden ongeacht of het gaat om maatschappijwinstdeling die is toegekend in de statuten, in de polisvoorwaarden of in zowel de polisvoorwaarden als de statuten. Ongeacht waar het recht is vastgelegd, kan er immers sprake zijn van een bijzonder recht dat na de juridische fusie niet meer op gelijke wijze is te realiseren. Zie verder in hoofdstuk 5.7.5 van dit proefschrift.