Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.4.2
I.3.2.4.2 Tweede ontwerp
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625518:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Immel 1991, p. 122-127; Halding-Hoppenheit 2003, p. 45-51.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 50-51.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 51. Zie ook Immel 1965, p. 126.
Immel 1965, p. 127; Halding-Hoppenheit 2003, p. 51.
Immel 1965, p. 126. Zie ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 51.
Immel 1965, p. 126.
Immel 1965, p. 122; Halding-Hoppenheit 2003, p. 46.
Hierover Immel 1965, p. 123 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 46 e.v. Zie ook Stiegeler 1985, p. 40 e.v.; Sens 1990, p. 53 e.v.
Immel 1965, p. 124 laat evenwel doorschemeren dat dit formele aspect wel het materiële aspect aangescherpt heeft.
Zie Immel 1965, p. 123; Zimmermann 1991, p. 22; Halding-Hoppenheit 2003, p. 46-47.
Immel 1965, p. 124.
Immel 1965, p. 124; Halding-Hoppenheit 2003, p. 47.
Zie over het legaat en de mogelijkheid van wilsdelegatie in het tweede ontwerp Immel 1965, p. 122 e.v.; Zimmermann 1991, p. 22; Halding-Hoppenheit 2003, p. 47-49.
Zie voor deze onzekerheden bij het testeren ook ‘Inleiding en verantwoording’ onder I.
Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771, waar dit legaat met keuzeverlening eveneens wordt toegestaan.
In het tweede ontwerp van het BGB zette zich eveneens de gedachte voort dat de erflater zowel in formele als materiële zin hoogstpersoonlijk zijn laatste wil dient te uiten.1
Beschikkingen die afhankelijk zijn gemaakt van louter andermans wil, de Wollensbedingungen, werden in § 1938 I E II (het latere § 2065 I BGB) als ongeldig aangemerkt. Met als reden dat:
‘es gehe zu weit, wenn dem Erblasser gestattet würde, das Schicksal seines Vermögens von dem Willen eines anderen abhängig zu machen. Die Testierfreiheit würde insoweit überspannt. Das Erbrecht beruhe auf der Familie und dieser müsse das Vermögen möglichst erhalten bleiben. Die Testierfreiheit sei nur zugelassen, um besonderen Verhältnissen des Einzelfalles Rechnung tragen zu können (curs. NB).’2
En:
‘es sei zum Schutze der gesetzlichen Erben erforderlich, dass der Erblasser seinen von der gesetzlichen Erbfolge abweichenden letzten Willen selber bildet. Sofern der Erblasser sich nicht entscheiden könne, müsse er eben den Dingen ihren natürlichen Lauf lassen und die Intestaterbfolge akzeptieren. Er könne aber nicht die Verfügung einem anderen überlassen (curs. NB).’3
Zowel de testeervrijheid (vgl. paragraaf 1.2.2.2 ‘Intermezzo: ‘een delegatieverbod omwille van de testeervrijheid?’) als de bescherming van de versterferfgenamen (vgl. paragraaf 1.3.4.2 onder A ‘Schutz der gesetzlichen Erben also Schutz der Familie’) werden zodoende als argumenten genoemd om Wollensbedingungen niet toe te staan. Op deze argumenten ga ik nog nader in, in paragraaf 3.4.
In lijn met het eerste ontwerp waren de zogenoemde Willkürbedingungen wel toegestaan. Niettemin werden Willkürbedingungen die door de erflater waren opgenomen met enkel de bedoeling om een derde in feite over de werking van de uiterste wilsbeschikking te laten beslissen, gelijkgesteld met Wollensbedingungen. Deze waren zodoende ontoelaatbaar.4 Ook de Ermessensbedingungen werden als ongeldig beschouwd. Met als reden dat:
‘es sich ohne Angabe der Grundlagen, nach denen das vernünftige Ermessen auf Billigkeit und Vernünftigkeit nachgeprüft werden könne, in Wahrheit doch stets um das bloβe Wollen handele (curs. NB).’5
Men vond dat er, zonder de vermelding van hoe het redelijk oordeel kon worden gecontroleerd, in wezen toch sprake was van de loutere wil van een ander. Immel merkt voorts nog op dat:
‘Die Frage, ob das vernünftige Ermessen ausdrücklick erwäht werden müsse, blieb der Prüfung der Redaktionskommission überlassen. Diese verneinte die Frage und faβte die Vorschrift so, wie sie heute als § 2065 Abs. 1 BGB erscheint.’6
Ook het huidige § 2065 I BGB staat een uiterste wilsbeschikking waarvan de werking afhankelijk is gemaakt van andermans redelijk oordeel zodoende niet toe. Op § 2065 I BGB ga ik hierna, in paragraaf 3.3.2 nader in.
Voor wat de uiterste wilsbeschikkingen betreft waarvan de wezenlijke inhoud door erflater nog niet volledig was bepaald, week het tweede ontwerp niet af van de regeling van § 1770 I en § 1777 IE I. Deze beide artikelen werden enkel tot één artikel samengevoegd, te weten § 1938 II E II (het huidge § 2065 II BGB):7
‘II. Der Erblasser kann die Bestimmung der Person, die eine Zuwendung erhalten soll, sowie die Bestimmung des Gegenstands der Zuwendung nicht einem anderen überlassen.’
Een heet hangijzer om aan te pakken was evenwel het bepaalde in § 1770II E I jo. § 1769 E I. In hoeverre was het toegestaan om een derde de erfgenamen of legatarissen uit een door erflater bepaalde groep van personen te laten aanwijzen? Deze vraag werd voor de erfstelling anders beantwoord dan voor het legaat.8
Voor de erfstelling werd van erflater een volledig hoogstpersoonlijke wil verlangd, in die zin dat het niet mogelijk was om de erfgenamen uit een afgebakende groep van personen door een derde te laten aanwijzen. De reden hiervoor lag evenwel niet zozeer in de gedachte dat een dergelijk Drittbestimmungsverbot een noodzakelijke aanvulling vormt op het formele aspect van het hoogstpersoonlijke (vgl. het huidige § 2064 BGB).9 Men beargumenteerde het verbod eerder vanuit de gedachte dat er dan in feite sprake was van een erfstelling onder de voorwaarde dat een derde het wil (Wollensbedingung). Een dergelijke erfstelling met keuzeverlening voor een ander uit een afgebakende groep kwam anders gezegd in strijd met het bepaalde in § 1765 EI (en later § 1938 I E II resp. § 2065 I BGB).10 Voorts vond men dat er voor een dergelijke erfstelling geen praktische behoefte bestond:
‘Der Erblasser, welcher mit seinem Willen noch nicht ganz schlüssig sei und sich deβhalb bei der Auswahl des von ihm zu Bedenkenden der Hülfe eines Dritten bedienen wolle, solle eine Vermächtniβanordnung oder eine Auflage machen.’11
De gedachte was dus dat de erflater die nog niet weet aan wie hij wat wil nalaten en daarom de hulp van een derde wenst in te roepen, dit steeds kon doen door het maken van een legaat (Vermächntiβanordnung) of last (Auflage).12 Ten aanzien van deze beschikkingen gold het Drittbestimmungsverbot namelijk niet onverkort. Voor het legaat was namelijk de soepele opvatting van het bepaaldheidsvereiste beslissend (en dus niet het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke dat een volledig eigen wilsbeschikking verlangde).13 In § 2022 E II werd namelijk de uitzondering om een derde te laten bepalen wie van de verscheidene door erflater genoemde personen het legaat zal genieten, uitdrukkelijk toegestaan. Dit omwille van een praktische behoefte die voortkomt uit de onzekerheid waarmee een erflater bij het testeren kampt: Wanneer overlijd ik en wie en wat laat ik op dat moment na etc.?14 Voorts bepaalde § 2024 E II dat het eveneens mogelijk was om het object van de verkrijging door een derde te laten bepalen. Deze bepalingen zijn thans opgenomen in § 2151 en § 2153 e.v. BGB, waarop ik hierna in paragraaf 3.3.4 nader zal ingaan.15 Zoals gezegd gold het Drittbestimmungsverbot voor de last evenmin. Ik zal dit eveneens in paragraaf 3.3.4 nader toelichten.