Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.2.7
5.2.7 ‘Prioriteit’ en insolventie
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS389504:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ 88 InsO bepaalt dat de in de maand voor het faillissement ontstane Pfändungspfandrechten met de faillietverklaring van de schuldenaar vervallen. Zie ook Berger, ZZP 2008, p. 410.
De gelijke behandeling van schuldeisers volgt niet uitdrukkelijk uit de wet. Uit de op 1 januari 1999 in werking getreden Insolvenzordnung (§ 1 en 38) alsmede uit haar voorganger, de Konkursordnung (§ 3) wordt dit beginsel afgeleid uit de regel dat het insolventierecht ertoe dient ‘die Glaübiger eines Schuldners gemeinschaftlich zu befriedigen’. Zie Häsemeyer 2003, p. 38. Häsemeyer vindt de dogmatische grondslag voor het gelijkheidsprincipe in de gezamenlijk verantwoordelijkheid van schuldeisers om alle schulden (gedeeltelijk) te voldoen waardoor vereffening slechts mogelijk is door wederzijdse gelijkmatige inkorting van ieders vordering. Zie Mäsemeyer 1982, p. 528. Berger verklaart het gelijkheidsprincipe bij faillissement uit het Vollstreckungsverbot van § 89 InsO, een publiekrechtelijke regel waarmee de Einzelzwangsvollstreckung ten tijde van faillissement is verboden. De inmenging van de overheid in de faillissementsprocedure brengt mee dat de grondrechten waaraan de staat is gebonden doorwerken in de wijze waarop het vermogen aan de schuldeisers wordt uitgekeerd. Zie Berger, ZZP 2008, p. 414 en 415.
Zie § 47 en 48 respectievelijk § 50 en 51 InsO.
Dat geldt overigens niet voor Sicherungseigentum en Vorbehaltseigentum die op grond van § 51 InsO als Absonderungsrecht worden behandeld. Zie Häsemeyer 2003, p. 258 en 259.
Zie Häsemeyer 2003, p. 257.
Zie voorts de opsomming in § 51 InsO, waarover Häsemeyer 2003, p. 371 e.v.
Zie voor de in § 10 lid 1 onder nummer 1, 2 en 3 ZVG genoemde voorrechten Baur-Stürner-Bruns 2006, p. 445 en 446.
Zie Häsemeyer 2003, p. 368.
Schuldeisers hebben van de wetgever een zekere vrijheid en eigen verantwoordelijkheid toebedeeld gekregen om hun vordering voldaan te krijgen. Ze kunnen immers zelf kiezen of zij tot beslaglegging overgaan en daarmee een versterkte positie verkrijgen alsook andere rechtsfiguren aanwenden ter verzekering van hun vordering.
Indien de schuldenaar in staat van faillissement verkeert, is van enige beslissingsvrijheid van een schuldeiser om verhaal te zoeken geen sprake meer. Bovendien lijkt de prioriteitsregel in geval van Einzelzwangsvollstreckung ervan uit te gaan dat er nog voldoende bestanddelen in het vermogen van de schuldenaar aanwezig zijn om de overige schuldeisers verhaal te bieden.1 Na een faillissement ontbreekt per definitie de volledige verhaalsmogelijkheid. De Insolvenzordnung (InsO) gaat dan ook niet uit van de prioriteitsregel, maar legt de gelijke behandeling van schuldeisers ten grondslag aan de wijze waarop de schuldeisers worden voldaan.2
Van deze concurrente schuldeisers die slechts een persoonlijke aanspraak op de schuldenaar hebben en op grond van § 38 InsO gezamenlijk delen in faillissementsboedel (Insolvenzmasse) moeten de goederenrechtelijk gerechtigden worden onderscheiden. Deze gerechtigden kunnen een volledig of beperkt recht hebben op een goed dat zich onder de failliet bevindt en genieten dientengevolge een Aussonderungsrecht respectievelijk Absonderungsrecht.3 Een Aussonderungsrecht komt bijvoorbeeld toe aan de eigenaar van de zaak omdat die zaak niet tot de faillissementsboedel behoort.4 Hierdoor blijft de zaak buiten de faillissementsboedel.5 Daarmee verschilt dit recht van het Absonderungsrecht dat bij voorrang verhaal biedt op de opbrengst van een tot de boedel behorend goed. Hieronder zijn schuldeisers met een goederenrechtelijk zekerheidsrecht – zowel op roerende als onroerende goederen – begrepen.6 Indien er meerdere Absonderungsberechtigte tot de opbrengst van eenzelfde zaak zijn, dient er een rangorde te worden vastgesteld die via de verwijzing in § 49 InsO ten aanzien van een onroerende zaak in § 10 en 11 ZVG is te vinden. Gerechtigden die hun recht in het Grundbuch hebben geregistreerd nemen rang in na enkele voorrechten7 en worden onderling naar het moment van registratie gerangschikt.8 Ook ten aanzien van pandrechten op roerende zaken beheerst de prioriteitsregel de onderlinge verhouding.9