Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.2.3
5.2.3 Botsende pandrechten
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS387089:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ 1205 en 1206 BGB. Voor de vestiging van een pandrecht is bezitsverschaffing vereist. Uit de Protokolle van de tweede commissie volgt uitdrukkelijk dat de bezitsverschaffing door middel van constitutum possessorium niet volstaat. Zie Mugdan III, p. 447. Het toestaan van een constitutum possessorium staat op gespannen voet met het publiciteitsbeginsel.
Ofschoon het BGB de fiduciaire eigendomsoverdracht niet als zodanig regelt, wordt de aan de hand van de algemene bepaling inzake de eigendomsoverdracht (§ 929 BGB) in combinatie met de bepaling inzake Besitzkonstitut (bezitsverschaffing door middel van constitutum possessorium) (§ 930 BGB) geconstrueerde figuur weldegelijk erkend. Zie Baur-Stürner 2009, p. 1078 e.v., Westermann-Gursky-Eickmann 2011, p. 382 e.v., Wilhelm 2016, p. 935 e.v. Sicherungsabtretung verkiest men doorgaans boven de verpanding van vorderingen onder meer omdat voor een dergelijke verpanding mededeling aan de schuldenaar is vereist (§ 1280 BGB), terwijl cessie plaatsvindt bij enkele overeenkomst (§ 398 BGB). De verpanding van een groot aantal vorderingen tegelijk is derhalve buitengewoon omslachtig. Vanuit dit gebrek heeft de Sicherungsglabolzession – de cessie van alle bestaande en toekomstige vorderingen – zich ontwikkeld.
Een uitgebreide behandeling van de wettelijke pandrechten kan hier achterwege blijven omdat legale pandrechten geen bevoorrechte positie innemen ten opzichte van andere pandrechten. § 1209 BGB is eveneens van toepassing op het hierna nog te bespreken zogenoemde Pfändungspfandrecht – een product van de ZPO (Zivilprozessordnung) – waaraan weliswaar evenmin een voorrecht ten opzichte van pandhouders wordt toegekend, maar met welk recht een onverzekerde schuldeiser andere concurrente schuldeisers voorblijft zodra hij overgaat tot beslaglegging. Het Pfändungspfandrecht neemt in de praktijk de belangrijkste plaats in onder de pandrechten en geeft dan ook het vaakst aanleiding tot conflicten. Zie Baur-Stürner 2009, p. 750 en 771.
De aldus bevestigde toepassing van de prioriteitsregel in het kader van meerdere pandrechten op roerende zaken heeft echter weinig praktische betekenis omdat het BGB op roerende zaken alleen het vuistpandrecht toestaat.1 Na Übergabe van de zaak kan de pandgever in beginsel2 niet opnieuw dezelfde zaak in vuistpand geven.3 De vestiging van pandrechten is daarom slechts in beperkte mate geschikt voor de financieringspraktijk die dan ook haar toevlucht heeft genomen tot andere wijzen ter verzekering van een vordering, te weten de hierna nog te bespreken Sicherungsübereignung (fiduciaire eigendomsoverdracht), Sicherungsabtretung (fiduciaire cessie) en Eigentumsvorbehalt (eigendomsvoorbehoud).4
Het belang van § 1209 BGB is erin gelegen dat wordt bepaald dat pandrechten – ook pandrechten op bedongen of toekomstige vorderingen – rang innemen naar hun ontstaansmoment, ongeacht het moment waarop de vordering is ontstaan. Toch vervult de betreffende paragraaf ook een zekere rol in het kader van rangorderegelingen. Naar Duits recht ontlenen bepaalde schuldeisers een pandrecht aan de wet.5 Indien de rang van een dergelijk wettelijk pandrecht op een roerende zaak moet worden vastgesteld, wordt gelet op de schakelbepaling van § 1257 BGB het in § 1209 BGB besloten liggende prioriteitsprincipe aangewend. De rangorde wordt derhalve vastgesteld naar de tijdstippen waarop de rechten tot stand zijn gekomen.6