Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/4.4.1.1
4.4.1.1 Beperkingssystematiek
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955535:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze beperkingsclausule geldt niet voor alle grondrechten; zie bijv. het folterverbod (art. 4 Handvest).
De Búrca, YBEL 1993, p. 111-112.
Craig & De Búrca 2020, p. 529-530.
HvJ EU 6 september 2012, C-544/10, ECLI:EU:C:2012:526 (Deutsches Weintor/Land Rheinland-Palz), rov. 54.
EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside), rov. 62. Zie ook Voorhoof, Mf 2010, afl. 4, p. 106-116 en afl. 10, p. 186-201.
EHRM 14 november 1960, nr. 332/57, ECLI:CE:ECHR:1961:0407JUD000033257 (Lawless/Ierland), rov. 90; EHRM 23 juli 1968, nr. 1474/62, 1677/62, 1691/62, 1769/63, 1994/63 en 2126/64, ECLI:CE:ECHR:1967:0209JUD000147462 (Belgische taalzaak), rov. 10.
EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside), rov. 48; EHRM 21 februari 1986, nr. 8793/79, ECLI:CE:ECHR:1986:0221JUD000879379 (James e.a./Verenigd Koninkrijk), rov. 46.
EHRM 29 april 1999, nr. 25088/94, 28331/95, 28443/95, ECLI:CE:ECHR:1999:0429JUD002508894 (Chassagnou e.a./Frankrijk).
Handvest. Art. 52 lid 1 Handvest kent een algemene beperkingsclausule voor de daarin opgenomen rechten en vrijheden.1 De bepaling omvat de initiële voorwaarde van een legitiem doel en een klassieke driestappentoets. Het artikel luidt als volgt:
“Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
De mate van intensiteit waarmee het Hof van Justitie toetst, hangt af van de aard van het geschil en de betrokken rechten. In zaken die draaien om individuele rechtsbescherming hanteert het Hof van Justitie doorgaans een indringende toets. Zo acht het zich bij uitstek in staat om te oordelen over ongerechtvaardigde beperkingen van klassieke burgerlijke rechten en fundamentele vrijheden.2 Zaken die draaien om individuele rechten en vrijheden zijn echter vaak complex en de maatregelen die onderwerp zijn van geding veelal het resultaat van bepaalde beleidskeuzes. In de praktijk zal er dus altijd wel enige beoordelingsruimte worden gelaten aan de bevoegde instantie.3
Levert overheidsingrijpen een beperking op van een sociaaleconomisch grondrecht, dan laat het Hof meer beoordelingsruimte aan de wetgever. Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het de vrijheid van beroepsuitoefening (art. 15 lid 1 Handvest), de vrijheid van ondernemerschap (art. 16) en het recht op eigendom (art. 17) zich onderscheiden van de fundamentele vrijheden uit titel II. Zij hebben geen absolute gelding, maar moeten in relatie tot hun maatschappelijke functie worden beschouwd.4
EVRM. Het EVRM verschilt van het Handvest doordat het per grondrecht bepaalt of en onder welke voorwaarden beperkingen zijn toegestaan. Over het algemeen staat in de bepalingen dat beperkingen toelaatbaar zijn voor zover zij bij wet zijn geregeld, noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en een door het artikellid gespecifieerd belang dienen.5 De bescherming van een grondrecht en de criteria voor beperking variëren afhankelijk van het recht in kwestie. Zo geniet de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) een ruime bescherming, terwijl het recht op eigendom (art. 1 Eerste Protocol EVRM) een soepele beperkingsclausule kent.6
Het EHRM laat, afhankelijk van het type recht, aan de nationale wetgever en rechter doorgaans een margin of appreciation.7 Dit begrip verwijst naar de ruimte of vrijheid die nationale overheden krijgen bij de interpretatie en toepassing van bepaalde rechten en verplichtingen onder het EVRM. De omvang van deze beoordelingsvrijheid hangt af van verschillende factoren, waaronder het type recht dat wordt beperkt. Zo is de beoordelingsvrijheid bij de vrijheid van meningsuiting over het algemeen beperkt, terwijl zij bij het recht op eigendom doorgaans ruimer is.8 Verdragsstaten hebben doorgaans ook een ruime beoordelingsvrijheid in situaties waarin meerdere grondrechten tegen elkaar moeten worden afgewogen.9