Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/V.4
V.4 Karel V en het rolrecht
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS387815:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
D. Watt, University clerks and rolls of petitions for benefices, in: Speculum 34 (1959) 213-229.
‘Consulta’ betekent advies/adviesraad. Vanaf het bestuur van Filips II werd het woord meer gebruikt, zowel als instelling als in informele zin, gewoon omdat er meer Spanjaarden in het bestuur meewerkten. M. Dierickx, De eerste jaren van Filips II 1555-1567, in: AGN, IV, 1952, 313 en noot 3. Zie ook 329.
‘Relatio facta regiae maiestati, presentibus regina, duce, Atrebatensi et me die prima et secunda januarii 1555 (1556 n.s): ARAB AUD 1473/ 6, ongefolieerd.
In 1553 werd bij de beslissing om aan Antoon von Taxis een prebende te geven toegevoegd: ‘de son consentement’, waardoor deze zijn neef kon voorstellen.
Zie bijlage X, fo 14 vo.
ARAB AUD 1473/ 6, ongefolieerd: ‘Pro hoc determinavit regia maiestas ita tum ut omisso titulo indultus accipiat collationem tamquam a duce Geldrie’. Noteer dat ‘indultus’ hier de betekenis heeft, die ook bij ‘indultarius’ voorkomt.
Archief Utrecht, Domkapittel te Utrecht (inventarisnr. 216), nr. 340: testament 1579 en sterfhuis 1584. Zie ook: J. Kuys, Repertorium, 178.
ARAB AUD 1473/4, ongefolieerd. De correcties in de tekst zijn van de hand van Viglius van Aytta. Men vindt dit document in bijlage XI.
Ook toen hij nog bisschop van Atrecht was, maakte hij al deel uit van deze raad.
M. van Durme, El cardenal Granvela (1517-1586): Imperio y revolución bajo Carlos V y Felipe II, Barcelona 1957, 227-229 en 263.
Ch. Weiss, Papiers d’État du cardinal de Granvelle, Parijs 1844, V, 16-17.
C. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica, ’s-Gravenhage 1743, I, 1, 38.
M. van Durme, El cardenal Granvela, 229.
Ch. Weiss, Papiers d’état, Parijs 1852, IX, 475: Wenen, 19 augustus 1565.
ARAB AUD 1249A – 1251. Noteer dat dit niet alle roldocumenten waren. Zie ook: ARAB, Geheime Raad 767: rol van de waardigheden, kanunnikdijen, prebenden, pastoraatschappen, hospitalen en andere beneficies ter collatie van Filips II, 1589.
E. Boëthius, Heroicarum et ecclesiasticarum quaestionum libri VI, Duaci 1588, I, 169, nr. 285: Beneficia collationis regiae seu rotula regia quae dicitur.
J. Wamesius, Responsorum sive consiliorum de iure pontificio tomus I, Lovanii 1605, 436- 437: Consilium CCLXIII, Nominatio Principis saecularis ad beneficia & ius rotuli.
X.3.8.16 Cum dilecta.
VI.[5.13]54 Qui prior.
‘requiruntur formales litterae praesentationis seu collationis’.
ARAB AUD 134, fo 243 ro: ‘Sire, j’ay tousiours tenu soingneux regardt de faire observer le tour de rolle ainsy que Vostre Majesté l’a ordonné et espère encore de le faire pour l’advenir’. Van Schore schreef dit op 26 februari 1548 vanuit Brussel, maar hij haalde het einde van dat jaar niet meer.
Zie bijlage X, fo 6 ro, waar hij in 1553 een indult kreeg.
ARAB AUD 134, fo 222 ro.
ARAB AUD 1632/3, ongefolieerd: Brussel, 12 juni 1548.
ARAB AUD 1429B. Voor een voorbeeld van hun gezamenlijke activiteit, zie P. Alexandre, Histoire du Conseil Privé dans les anciens Pays-Bas, Brussel 1894, 228.
G. Gielis, Een pleidooi voor klerikale herbronning: Ruard Tapper (1487-1559) en zijn ideeën over kerkhervorming, in: V. Soen en P. Knevel, Religie, hervorming en controverse in de zestiende-eeuwse Nederlanden, in: Publicaties van de Vlaams-Nederlandse Vereniging voor Nieuwe Geschiedenis 12 (2013) 21-36.
M. Baelde, Onuitgegeven dokumenten betreffende de zestiende-eeuwse Collaterale Raden, in: HKCG 131 (1965) 161-167: Brussel, 14 oktober 1540.
Pierre Alexandre, de kapelaan van Maria van Hongarije, bleek een ketter te zijn.
K. Lanz, Staatspapiere, 23, voetnoot 33 en 39.
Ondanks P. Rosenfeld, The provincial Governors from the minority of Charles V to the Revolt, in: Standen en Landen 17 (1959) 3-63, blijft de eerste systematische studie een desideratum. Gezien de verschillen per gouverneur/stadhouder en de verschillen per regio verdient uiteindelijk een centrale samen met een provinciale aanpak de voorkeur.
Zo stond in de instructie voor de markies van Baden, gouverneur van het hertogdom Luxemburg en het graafschap Chiny: ‘Item, il ne disposera d’aucuns offices, ne pareillement des bénéfices estans aux collacion, présentacion ou aultre dispostion de l’Empereur, ains le fera Sadicte Majesté ou madite Dame comme régente’, ROPB, II, 2, 517. Vergelijk ook met het graafschap Holland: J. Bos-Rops e.a., Holland bestuurd: teksten over het bestuur van het graafschap Holland in het tijdvak 1299-1567, Den Haag 2007, 415, nr. 17.
ARAB AUD 789, fo 95 ro – 108 ro (Brugge, 31 mei 1522). Voor de geschiedenis van het vorstelijk patronaatsrecht zijn deze tarieven van kapitaal belang en horen ze opgenomen te worden in een kerkelijk plakkaatboek. Men moet er ook rekening mee houden dat Margareta van Oostenrijk over een eigen indult beschikte met het oog op het Vrijgraafschap.
ROPB, II, 7, 50, nr. 27. De bijzondere instructie, nr. 29, 53-55. De plicht tot geheimhouding is bijzonder goed gelukt.
ROPB, II, 7, 52, nr. 28. Men zie ter vergelijking de instructie voor Maria van Hongarije uit 1531: J. Fühner, Die kirchen- und die antireformatorische Religionspolitik Kaiser Karls V. in den Siebzehn Provinzen der Niederlande 1515-1555, Leiden 2004, 75, voetnoot 91. Zie ook L. Gorter-van Royen, Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden. Een politieke analyse op basis van haar regentschapsordonnanties en haar correspondentie met Karel V, Hilversum 1995, waar 337, het artikel over de rol en waar 338, het artikel over het indult ‘Fervor pure devotionis’ worden vergeleken voor Margareta van Oostenrijk (1522) en voor Maria van Hongarije (1540).
J. de Smidt e.a., Chronologische Lijsten van de Geëxtendeerde Sententiën en Procesbundels berustende in het archief van de Grote Raad van Mechelen, Brussel 1966, I, 237-238: verzet tegen brieven over de plaatsing op de lijst der beneficies en prebenden van Bergen (4 februari 1491).
Hugues Ruffault was in 1541 ook kanunnik van het kapittel Saint-Pierre te Rijsel: A.-M. Pietresson de Saint-Aubain, Archives départementales du Nord. Répertoire numérique, Lille 1960, I, 16 G 52.
Uit de bestudeerde periode is dit de zwaarste sanctie, die aan een hoogwaardigheidsbekleder werd opgelegd. Na het overlijden van Érard de La Marck werd Gillis gerehabiliteerd.
ARAB AUD 1627/2, ongefolieerd.
ARAB AUD 1627/3, ongefolieerd: ‘Mestre quelque ordre aulx abus de l’esglise, car durant l’absence de Sa Majesté n’y ont les evesques volu entendre et n’y a espoir qu’ilz y entendront, s’il ne se trete en sa présence et mesmes est requis qu’elle se mesle pour les cures et serges d’ames en ce qui touche le rolle’.
P. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica, Den Haag 1743, 3:2, 94-96.
J. Kuys, Repertorium, 119.
De informatie erin vraagt voorzichtigheid. Zo wordt er verwezen naar een ‘wet Pompeius’, terwijl het over de ‘wet Pomponius’ gaat: D.41.2.13.
D.41.3.15.
Bartolus a Saxoferrato, In primam ff. novi partem, Venetiis 1585, 92v – 97r, vooral nrs. 1 en 20. Men merke op dat in de 18de eeuw de titel ‘usura’ wordt vermeld in plaats van ‘de usurpationibus et usucapionibus’.
Een tweede fout uit het slecht overgenomen advies.
X.3.49.7.
X.1.3.7.
D.50.17.10.
C. Guymier, Pragmatica sanctio, Parisiis 1507, XCVI r. Possidere pacifice quis dicatur? De verwijzing naar deze bron moge vreemd voorkomen, omdat de Pragmatieke Sanctie nooit gegolden heeft in de Nederlanden. Nigri was afkomstig van het bisdom Terwaan, had in Parijs gestudeerd en was dus goed op de hoogte van de Franse rechtstoestanden.
D.41.2.13.
In plaats van ‘rotula’ vindt men vaker ‘rotulus’ (‘ius rotuli’, zoals bij J. Wamesius), maar beide substantieven komen voor.
In het archief zijn vele inlichtingen over deze materie verloren gegaan. In de index van de uitgegeven Latijnse brieven zijn de onderwerpen, waarover het hier gaat, zelden gerubriceerd.
C. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica, ’s-Gravenhage 1743, I, 1, 392. Zie dezelfde tekst ook in: Vigli Zwichemi ab Aytta Epistolae politicae et historicae ad Joachimum Hopperum, Leoardiae 1661, nr. XX, 56.
De bul van Leo X ‘Eximiae devotionis affectus’ van 22 maart 1517 bevestigde dat Margareta van Oostenrijk dezelfde rechten kreeg, die haar neef had gekregen door ‘Fervor pure devotionis’. Die rechten hadden echter territoriaal betrekking op het Vrijgraafschap Bourgondië en op het weduwegoed, waarover ze beschikte in Savoie: F. Pinsson, Inventaire des indults, pieces, titres et memoires emploiez et servans de preuves au Traite singulier des Regales ou des droits du roi sur les benefices ecclesiastiques, Paris 1688, II, 967-969. Er is ook een exemplaar in Besançon: A. Castan, Catalogue général, II, 516. Zie ook voor de verdere evolutie: ARAB AUD 1412/9 (Clemens VII, 2 maart 1524 en Clemens VII, 8 maart 1533).
A. Castan, Catalogue général, t. XXXIII. Besançon, Paris 1900, II, 1, 421: Rôle des benefices du comté de Bourgogne, suivant la déclaration dressée l’an 1588. Zie daar ook 661: Pouillé sommaire du diocèse de Besançon et des divers bénéfices situés en terre franc-comtoise et compris dans d’autres diocèses que celui de Besançon.
ARAB AUD 1629/3, ongefolieerd.
ARAB AUD 1631/2, ongefolieerd en ongedateerd (1545).
ARAB AUD 1631/4, ongefolieerd ‘suyvant l’instance qu’en fut faite estant l’empereur, monseigneur et frère, audict Nymegen’. Later zou Maurits kanunnik worden te Nijmegen.
ARAB AUD 1631/2, ongefolieerd.
ARAB AUD 1631/3, ongefolieerd. Noteer dat deze Utrechtse documenten in twee mappen werden bewaard. Zo kon hun verband moeilijk aangetoond worden.
W. Kohl, Das Domstift St. Paulus zu Münster, Berlin 1982, Das Bistum Münster 4,2, 593 en 606.
ARAB AUD 1629/3, ongefolieerd.
H. Keussen, Die Matrikel der Universität Köln, Bonn 1919, II, 1016, 635, 7.
Met dank aan dr. J. Fleuren en P. van Meegeren.
In de middeleeuwse samenleving was de rol een belangrijk medium voor verschriftelijking op vele terreinen. Wat was op het vlak van beneficies bedoeld met de ‘rotulus’ of rol? Chronologisch is er sprake van beneficierollen in de periode van Avignon, toen de universiteiten aan de paus rollen met verzoekschriften voorstelden. Deze praktijk werd door het Concilie van Bazel beëindigd.1 Onder de Bourgondiërs groeide langzaam de reeks van de heerlijkheden onder hun bestuur. Met deze groei steeg ook de behoefte om een goed overzicht te hebben van alle beneficies van de vorstelijke collatie, hetzij de vorst in de rechten van de stichter trad, hetzij omdat hij een landsheerlijkheid had veroverd en de beneficies ‘iure belli’ in zijn bezit waren gekomen. Zo ontstond de rol met de vermelding van de rechten van de vorst ten aanzien van beneficies. Op bepaalde tijden moest deze rol bijgesteld worden. Soms waren er ook speciale dagen, waarop afzonderlijke vacaties van beneficies besproken werden. Of er diende zich een bijzondere casus aan.
Michel Dierickx was de eerste, die erin slaagde om het verhaal van de ‘Consulta’ of de ‘Achterraad’ als een bijzondere raad van drie prominente raadsheren (Granvelle, Viglius en Berlaymont) te ontwrichten.2 Met het bewijs van originele teksten kon hij aantonen, dat de consulta een adviesorgaan van Filips II was. In dat adviesorgaan werd gedebatteerd over de verlening van officies en beneficies, maar er waren ook vergaderingen, waar over andere onderwerpen een advies werd uitgebracht. Toen was de koning soms zelf aanwezig en het aantal leden was zeker niet beperkt tot drie.
Op 1 en 2 januari 1556 deed zich een vergadering voor, die aan alle voorwaarden, hierboven beschreven, voldeed. Viglius notuleerde met de hem eigen precisie. ‘Er is gerapporteerd aan de koninklijke Majesteit. Aanwezig waren de koningin (Maria van Hongarije), de hertog (Emmanuel-Philibert, hertog van Savoie), de bisschop van Atrecht (Antoine Perrenot) en ik (Viglius).’ Het woord ‘consulta’ werd niet gebruikt.3 In deze vergadering kwam Filips II zelf tussen ten voordele van een neef van de Antwerpse postmeester, Antoon von Taxis: Maximiliaan Walscappel. Toen er een vacature kwam in het kapittel van Sint-Steven te Nijmegen door het overlijden van Wolterus van Mulicum, had het Nijmeegse stadsbestuur graag Joannes Smit aangesteld gezien. Het Hof van Gelre sloot zich daarbij aan, maar Filips II besliste anders. Deze Maximiliaan Walscappel was nog onlangs bij het laatste indult op de lijst geplaatst voor de waardigheden en prebenden van Nijmegen.4 Bedoeld was het indult van 1552, waarbij op 19 en 20 juli 1553 in Brussel de lijst van kandidaten was opgesteld.5 Op die wijze genoot hij een zekere anciënniteit. Filips wilde dat de kandidaat van het laatste indult van hem, als hertog van Gelre, deze collatie moest krijgen. In werkelijkheid was zijn relatie met de familie van de postdiensten het doorslaggevende argument en vervreemdde de centrale regering zich bij de lokale bevolking.6 Later zou Maximiliaan proost worden in Leiden.7
Zo mogelijk is één voorbeeld nog duidelijker: ‘Consulte tenue et résolution prinse par le roy sur la provision des prélatures, bénéfices et offices vacans à Bruxelles le 19 de Juing en l’an 1558.’ Karel V leefde dan nog in Yuste en zijn zoon wilde zo snel mogelijk het indult van zijn vader ‘Fervor pure devotionis’ door de paus hernieuwd zien, maar op die dag zat hij een speciale vergadering voor met betrekking tot beneficies en officies.8 Eén van de meest bekende leden van de Consulta was de latere kardinaal Granvelle.9 Hij beantwoordde niet veel aan de kerkelijke waardigheid. Zijn hebzucht was groot, maar bij een lening aan de vorst was hij even gul als Willem van Oranje. Hij bezette een bisdom, maar gedroeg zich niet als bisschop. Als hij de keuze had om goede priesters in te zetten, verkoos hij clerici van adel of aristocratische kandidaten. Toch was hij één van de meest geconsulteerde vorstelijke raadsheren in kerkelijke aangelegenheden.10 In 1562 kreeg Filips II een rapport in handen van Simon Renard, uit het Vrijgraafschap Bourgondië afkomstig, maar zwaar in conflict met Granvelle. Dit niet onpartijdig oordeel van Simon Renard over de bemoeizucht van Granvelle inzake beneficies moet ongetwijfeld nog nader bestudeerd worden. Toch was de invloed van Granvelle op wereldlijke en geestelijke aanstellingen overweldigend.11
In zijn eigen biografie ‘Vita Viglii’ noteerde de hoofd-voorzitter van de Geheime Raad de verwijdering van Antoine Perrenot uit de Nederlanden. Hij liet er onmiddellijk op volgen dat weldra de venaliteit van officies en beneficies regel begon te worden. Voortaan was de landvoogdes de zaak niet meer meester en was ze overgeleverd aan haar secretaris Thomas Armenteros.12 Vergaderingen in de zin van deze adviesraad bestonden al sinds de Bourgondische tijd. Zoals in elke administratie gebruikelijk is, werd een regelmaat aangehouden in het beleggen van deze vergaderingen. Van Durme spreekt over twee- tot driemaal per jaar.13 Toch wist Chantonnay aan kardinaal Granvelle te berichten dat deze regel niet altijd gold. Walter von Schwartzburg, een zwager van Willem van Oranje, had gehoord dat Margareta van Parma meer dan twee jaar niet aanwezig was, toen het ging om ’la consulte des provisions des renouvellemens des loix et autres choses qui sont à la collation de Madame’.14
Naast de afzonderlijke vergaderingen over beneficies, die onder Filips II vaak ‘consulta’ heetten, bestond er een rol van beneficies. Toen Filips II zich terugtrok in Spanje, wilde hij graag op de hoogte blijven van deze rollen. Voor de vorst was het een handzame rangschikking van de kandidaten voor zijn beneficies. Toen werden de rollen vanaf Filips de Schone (1501) tot en met de laatste van Karel V (Middelburg, 24 augustus 1517, Barcelona, 24 augustus 1519, Granada 2 december 1526, Namen, 28 december 1540) doorgestuurd, terwijl er onder Filips II nieuwe ontstonden in 1559, 1564 en 1573.15
Er was ook sprake van een ‘ius rotuli’, een rolrecht (door Viglius ook ‘ius rotulae genoemd en door Epo Boëthius ‘rotula regia’16). De canonist Johannes Wamesius gaf daarover de beste informatie.17 De aantekening op de rol gaf een kandidaat noch een ‘ius ad rem’, noch een ‘ius in re’. Dus was er niet echt een rolrecht, waaruit een aanstelling rolde. Voor de vorst was het niet meer dan een geheugensteun (nuda annotatio). Personen, die zo waren ingeschreven en benoemd, waren volgens het gezegde aan het wachten (expectantes) en geenszins voorzien (provisi).18 Toch waren er heel wat processen in de Geheime Raad, waar de plaats op de rol een belangrijk onderwerp van procedure was.
Administratief volgde dan de volgende stap. Eerst moest er een vacature zijn. Wie zich vervolgens eerst aanmeldde19 en over het beste recht (zoals een bezit, dat al meer dan één of drie jaar gold: annalis/triennalis possessio) beschikte, maakte de grootste kans op een beneficie. De kandidaat had een vorstelijke collatiebrief nodig.20 Had men die niet nodig, dan had de aantekening op de rol kunnen volstaan. Wanneer de kandidaat de vorstelijke procedure had afgewerkt, kwam de ‘institutio canonica’. Deze kon plaatsvinden door bemiddeling van de bisschop, de aartsdiaken of door hun vicarissen.
In elke regeringsraad was er iemand, die beter op de hoogte was van deze materies. Zo vertelde Lodewijk van Schore als voorzitter van de Geheime Raad dat hij de verlening van de beneficies als een bijzondere taak onder zich had en deze nauwgezet beheerde.21 Van Schore rapporteerde toen aan de keizer in Augsburg over een geschil tussen twee jonge kandidaten, die een plaats op de rol betwisten. Jehan Custodis22 was koorknaap van de keizerlijke kapel, terwijl Michel Guesquière student was te Leuven. Daaruit blijkt dat jonge kandidaten, die niet meer tot de kapel behoorden, ook werden gestimuleerd om hun studies verder te zetten aan de universiteit van Leuven. Op deze wijze kon het niveau van de clerus alleen maar opgekrikt worden.23 Dankzij een los bewaard vonnis van de Geheime Raad kennen we ook de uitslag.24 Michel Guesquière, die een brief vroeg om in het bezit te blijven (impétrant de lettres de maintenue), sprak over een kapel, gesticht bij het altaar van Sint-Jan in de kerk van Aardenburg, gewoonlijk genaamd de Namurco. Zijn tegenstanders waren sires Jehan Custodis en Andrieu Beveur (adiourné et opposant). Volgens de toerbeurt op de rol was Michel de eerste en dat bleef zo.
Uit de rol voor de vorstelijke beneficies van het jaar 1540 leren we dat Lodewijk van Schore, die toen hoofd-voorzitter werd van de Raad van State en van de Geheime Raad, gezelschap kreeg van Ruard Tapper van Enkhuizen.25 Deze was een oud-leerling van Adriaan VI en toen deken van Sint-Pieter te Leuven, zoals zijn leermeester. Hij behoorde tot de beste theologen van het ogenblik en zou op het Concilie van Trente tot keizerlijk vertegenwoordiger aangesteld worden. De aanstelling van deze specialisten betekende dat de vorst de verantwoordelijkheid nadrukkelijker bij de regeringsinstanties wilde leggen en dat hij deze taak beschouwde als een dam tegen de ketterij.26 Het betekende ook dat de vorst deze taak delegeerde, want in de bijzondere instructie uit diezelfde periode voor Maria van Hongarije werd er geen woord over gezegd.27
De schuld voor de slechte gang van zaken werd in 1540 afgewimpeld op ‘la negligence et insouffissance des curez, qui ne sont esté telz, qui debvoient pour bien instruire le povre peuple’. Voor de zielzorg van de vorstelijke collatie moesten voortaan geschikte kandidaten uitgezocht worden. Bij de vacatie van een pastorale bediening, staande ter collatie van Karel V, moesten Lodewijk van Schore en Ruard Tapper inlichtingen nemen. Met het advies van plaatselijke officieren zouden ze drie geschikte en competente kandidaten voorstellen aan Maria van Hongarije. Deze zou er één kandidaat uit kiezen. Hetzelfde zouden de stadhouders of gouverneurs uit de afzonderlijke gewesten doen met betrekking tot de pastorale bedieningen, die tot hun collatie stonden. Maria van Hongarije moest erop letten dat er naderhand geen substitutie plaats had, wanneer de aangestelde kandidaten probeerden hun ambt door te schuiven.
Sinds de vorst de Nederlanden bezocht in 1531 was er op het vlak van de ketterbestrijding weinig vooruitgang geboekt. In 1540 werd het buiten- en binnenlandse beleid van de Nederlanden kritisch onderzocht. Het aandeel van goede priesters werd als één van de speerpunten gezien. De wetgeving werd aangescherpt, maar in de praktijk bleek volgens Ruard Tapper dat de hoogste wereldlijke instanties niet model stonden,28 terwijl er anderzijds veel kritiek was op de hogere clerus. Uit de bewaarde lijsten van vacatures leren we dat er geen strikte scheiding werd aangehouden bij de behandeling van de officies en de beneficies (soms ‘ecclesiastica & politica beneficia’ genoemd). Wel werd de rol van de beneficies regelmatig vernieuwd. Het was toen zaak dat men vooraan in de rangorde van de provinciale indeling kwam te staan, want deze rol werd gebruikt bij de te beleggen adviesronde. Geschillen over deze rangorde waren schering en inslag.
Hiervoor werden al voorbeelden van het belang van de rol onder Maximiliaan, Filips de Schone en Karel V aangegeven. Bij afwezigheid van Karel V werd de rol toevertrouwd aan de landvoogdes Margareta van Oostenrijk en later aan haar nicht, Maria van Hongarije, zij het onder de supervisie van Karel V. In hun commissiebrief stond de competentie met betrekking tot de rol omschreven. Er volgde nog een afzonderlijke instructie voor de verlening van de officies en beneficies om de eventuele misverstanden uit te sluiten, want de vorst gaf niet al zijn macht over die verlening uit handen. Zoals we vernamen, moest de landvoogdes in de correspondentie met de vorst over belangrijke beneficies specifieke informatie doorsturen en vervolgens de vorstelijke beslissingen uitvoeren.
Toen Margareta van Oostenrijk in de Nederlanden in 1525 al een aantal beloften had gedaan om verdienstelijke personen te belonen met een beneficie, vroeg ze meer armslag te krijgen bij de verlening van beneficies. Messire Guillaume des Barres, die naar Spanje was gestuurd om het antwoord van de keizer te halen, berichtte dat Karel V met de beloften rekening zou houden bij de hernieuwing van de rol (1526). Onder de verzoeken, opgesteld door de landvoogdes, bevond zich ook de vraag of de keizer haar kon toestaan dat ze de beschikking kreeg over het derde beneficie van de vorstelijke rol, zo dat vrij kwam. Daarmee zou de majesteit haar een groot genoegen doen. Zij op haar beurt zou ervoor zorgen dat zijn beloften werden vervuld. Ze zag het allemaal zitten, maar ze kreeg het bevel zich te houden aan de afspraak, die bij het vertrek van Karel naar Spanje (in 1522) was gemaakt. In hetzelfde verzoekschrift stond niet alleen de rolprocedure ter discussie. Margareta van Oostenrijk vroeg de vorst ook rekening te houden met de ‘benoemingen’ van de beneficies, die begrepen waren onder zijn apostolisch indult. Men kon niet lang meer wachten om provisie te verlenen, op gevaar af om in schande te vallen of in problemen te geraken. In verband met het voorstel om in de Nederlanden vrijer te kunnen beschikken over een aantal beneficies antwoordde Karel V dat hij het zó niet begreep. In de centrale regering te Brussel moesten de bestuurders de volgorde van de rol zorgvuldig respecteren. Ook dát was zo overeengekomen bij zijn vertrek naar Spanje.29
Niet zelden is er informatie over de verlening van officies en beneficies door de provinciale stadhouders.30 Zowel de landvoogd(es) als de provinciale stadhouder wilde haar/zijn netwerk maximaal organiseren. Uitbreiding van deze bevoegdheid was een belangrijke vraag, maar voor de centralisatie moest de vrijgevigheid van de vorst niet te ver gaan.31 In die zin was de verlening van officies en beneficies een test voor de loyaliteit aan de vorst en een twistappel, die kwade gevolgen kon hebben.
Bij het vertrek van de vorst werd ook gezorgd voor de aanpassing van de tarieven van de op te stellen collatiebrieven. Per afzonderlijk te verlenen beneficie werd daar aangegeven hoeveel leges moesten betaald worden voor de expeditie van deze vorstelijke brieven. Uit deze tarieflijsten blijkt dat de vorst zowel voor de Nederlanden als voor het Vrijgraafschap in hetzelfde document nieuwe prijzen opstelde.32
Over de ‘rol van de vorst’ werd dus regelgeving opgesteld en afgekondigd, in eerste instantie voor de landvoogd of landvoogdes. Toen Filips II getrouwd was met Mary Tudor en de vorst enige tijd afwezig, was de informatie ruimer dan normaal. Bij de aanstelling van Emmanuel-Philibert, hertog van Savoie op 17 januari 1556 tot gouverneur en kapitein-generaal van de Nederlanden kreeg hij eerst een commissiebrief, waarin stond dat hij de volgende volmacht kreeg: ‘pourveoir, donner, conférer et disposer tous offices et bénéfices que vacqueront en nos dicts pays de pardeçà, que seront à nostre disposition, à gens ydoines, souffisans et qualiffiéz’. In een bijzondere instructie werd vooral de nadruk gelegd op de geheimhoudingsplicht voor belangrijke zaken.33 Vervolgens kreeg hij een instructie, waarin werd gepreciseerd dat hij de vorstelijke rol in handen kreeg en dat hij iedereen volgens rang en toerbeurt moest bedienen. Wie niet op de rol stond, zou naar goedvinden van de hertog aangesteld worden. Bij de hernieuwing van de rol zou de vorst zijn advies geven over de dienaren van de hertog. Daarover kon hij beschikken ten voordele van de vorst of ten voordele van zijn dienaren.34
Hoe de onderdanen op de hoogte werden gehouden van de aangelegenheden rond de opstelling en wijziging van de vorstelijke rol, vindt men niet in de grote uitgaven van de wetten en verordeningen van de Nederlanden. Voorlopig moeten we ons tevreden stellen met de procedures voor gerechtshoven, waaruit tot dusver blijkt dat de onderdanen het niet eens waren met de onduidelijkheden over de plaatsing op de lijsten.35 Wel waren figuren uit de omgeving van de regering in het voordeel. Toen Jean Ruffault, algemeen thesaurier van Financiën, in 1538 vernam dat een prebende in het kapittel van Kortrijk vrijkwam, was hij er als de kippen bij om ze voor zijn zoon, Hugo, aan te vragen.36 Meester Gillis van der Blockerien, zegelaar van Luik, had een veroordeling opgelopen. Hij verloor zijn beneficies en werd voor eeuwig onbevoegd verklaard om er nog te bezitten.37 Lodewijk van Schore, gewoon raadsheer in de Geheime Raad, die in afwezigheid van koningin Maria van Hongarije de zaken waarnam voor Jean Carondelet, noteerde in een concept dat men zou kijken wie er het eerst op de rol stond. Ondertussen zou de landvoogdes aan Karel V schrijven ten gunste van de thesaurier. Hij besloot dat de collatie aan Hugo zou toekomen, wanneer de keizer zijn toestemming gaf, indien het kon.38
Ook een standpunt van Maria van Hongarije is bekend. Zij vond dat er orde op zaken moest komen in de misbruiken binnen de kerk. Na het advies van Lodewijk van Schore, die vond dat de ordonnanties tegen de secten moesten bijgesteld worden en beter onderhouden, noteerde Maria eigenhandig dat Karel V zich moest inzetten voor het ambt van pastoor en voor de zielzorg met betrekking tot de rol.39 Deze opmerking bleef niet zonder gevolg. In 1540 werden Lodewijk van Schore en Ruardus Tapper aangesteld om de kandidaten voor een plaats op de rol en in de zielzorg beter te ondervragen. Een bijzonder probleem vormde toen de afstand van de kandidaten naar het centrum van de Nederlanden. Perifere gebieden werden centrifugale gebieden.
Op juridisch vlak zorgde de rol voor problemen. Zo is er een advies bekend van Filips Nigri, lid van de Geheime Raad en specialist in het canonieke recht, over de manier, waarop iemand met deze rol moest omgaan: ‘Copia Consultationis Reverendi Domini Philippi Nigri, Cancellarii Aurei Velleris, Consiliarii Caes. Ma., super duplici jure institutionis’.40 Aangezien de keizerlijke organist Jean Lestennier daar vroeg of zijn halfbroer Georges in het bezit kon gesteld worden van een prebende in het kapittel van Geervliet, zullen we deze casus nader bekijken. Georges werd tot 1571 inderdaad deken.41 Het document vormt een bijlage bij een studie over het kapittel van Geervliet. Het is in de achttiende eeuw uitgegeven op basis van een kopie.42
Jean stond op ‘de rol van de vorst’ met betrekking tot de collatie van de prebenden van Geervliet. Hij vernam dat er een beneficie vrij kwam en hij wilde zijn halfbroer begunstigen met deze vacante prebende. Alle documenten waren volgens de regels der kunst opgesteld. Aangezien Jean het bezit niet aanvaardde, vroeg het kapittel een dubbel institutierecht bij de aanvaarding van Georges. Nigri was bij de eerste aanblik van oordeel dat men tweemaal het recht moest betalen. Daarvoor voerde hij twee redenen aan uit het Romeinse recht en twee uit het canonieke recht. Wie opvolgt, vertegenwoordigt de voorganger.43 Hij steunde daarbij op commentaar van Bartolus, die zei dat in de wet over de stuiting van de verjaring en de verkrijging van de verjaring de erfenis de plaats van de persoon inneemt.44 Het tweede argument verwees naar de wet ‘si socer solum’, die niet voorkomt in het Corpus iuris civilis.45
De twee canoniekrechtelijke argumenten werden gehaald uit het Liber Extra. Het eerste argument verwees naar c. adversus, waar gesproken wordt over de immuniteit van kerken, het kerkhof en soortgelijke zaken (De immunitate ecclesiarum).46 Wanneer iemand geweigerd heeft om een betaling te voldoen en zijn opvolger voldoet ook niet binnen de maand, dan beslissen wij dat hij gebonden blijft door de kerkelijke censuur, tot hij ten volle voldaan heeft, aangezien wie in de eer wordt vervangen, ook in de lasten opvolgt.
Het tweede argument werd gehaald uit de 47titel ‘De rescriptis’. Veronderstel dat iemand aan het kapittel schrijft om een prebende te krijgen, terwijl er nog geen bisschop is. Wanneer deze opdracht nog niet is afgewerkt bij de aanstelling van de bisschop, dan zal deze laatste de opdracht moeten uitvoeren. Deze redenering werd afgesloten door een verwijzing naar een wet uit de ‘Regulae iuris’ van het Romeinse recht, die luidde: wie de lusten krijgt, zal ook de lasten dragen.48
In tweede instantie ging Nigri in tegen de eerste mening, die duidelijk zijn overtuiging niet meedroeg. Hij was van oordeel dat de rol van de vorst bezitsneutraal was en geen enkel recht opleverde ‘noch in re, noch ad rem’. Jean kon helemaal niet de voorganger van Georges worden genoemd. Evenmin was Jean voorzien met de collatie van genoemde prebende. Georges was dus niet verplicht om de institutierechten van Jean te betalen.
Het bezit in materie van beneficies werd niet overgedragen van de ene persoon naar de andere. Dat recht was persoonlijk, omdat het de persoon niet verliet. Wat meer was, bij de opvolger werd op alle terreinen een nieuw recht geschapen. Georges was dus de vredige bezitter van de nieuwe prebende. Noch rechtens, noch in feite was er enige betwisting mogelijk.49 Nigri kwam tot de slotsom dat het kapittel het recht niet had om een dubbel institutierecht te vragen. De opvolger in materie van beneficies steunde niet op het bezit van de voorganger en het bezit van de één was niet in het voor- of nadeel van de andere. Alleen in het geval van eigendom kon het tegendeel plaatsvinden.50
Voorlopig zijn deze inleidende beschouwingen slechts een nieuwe weg naar het rolrecht. Het is relatief laat, wanneer Viglius zich van deze term ‘ius rotulae’ bedient in 1566.51 Het is echter vanzelfsprekend dat deze terminologie in de Collaterale Raden al vroeger werd gebruikt en dat de specialisten in de Geheime Raad ook over meer documentatie beschikten dan nu ter beschikking staat. In deze studie waren de prominente bewakers van het systeem Claude I Carondelet (1517-1518), dan Jean Caulier (1518-1522), later Jean II Carondelet (1522-1540), Lodewijk van Schore (1540-1548), Viglius van Aytta (1549-1569) en Charles Thisnacq (1569-1573). Daarom biedt de uitgegeven correspondentie van Viglius nog zeer goede inlichtingen.52 De spelbepalende taak van de hoofd-voorzitter en de positie, die hij innam in het debat over het beneficiewezen, komen er indringend aan bod.
Viglius was voorzitter van de Raad van State, terwijl Hopperus in Spanje zat in de Raad van Filips II voor de Nederlanden (1566-1576). Sinds 1564 bestond er een algemene lijst van alle officies en beneficies voor de Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië. Hopperus zat als het ware bij de bron van de verdeling van wereldlijke en geestelijke functies. Viglius had vermeld dat de broer van de secretaris in de Geheime Raad, Jan van Vlierden, overleden was. Gabriel van Vlierden was kanunnik geweest in de kathedraal van Sint-Bavo te Gent. Albert van Loo, lid van de Raad van Financien, vroeg de vrijgekomen prebende op grond van het rolrecht meteen voor zijn zoon. ‘Indien deze aanvraag gehonoreerd zal worden, zal uw (d.i. van Joachim Hopperus, wellicht Gregorius) zoon de eerste op de wachtlijst staan.’53
Op 5 december 1570 schreef Viglius uit Brussel: ‘Ik herinner me dat je niets schreef over de vernieuwing van de rol. Omwille van de laatste rol heb ik de negatieve reacties van zowel de kapittels en de zangers van de koning als van onze mensen opgevangen. Ik wil mij daarvoor niet inzetten en ik vraag dat jij je excuses aanbiedt.’
In een volgende brief van 8 december kwam Viglius daarop terug: ‘Onlangs zei je iets over de vernieuwing van de rol. De zorg voor de rol behoort echter aan de voorzitter van de Geheime Raad, Charles Thisnacq (1569-1573). Je kunt hem aanschrijven. Hijzelf kan navraag doen bij de audiëncier en bij de andere secretarissen, welke plaatsen tot dusver door de rol verleend zijn. Zo kan helder worden wie nog op de wachtlijst staan. Het zal wellicht niet kunnen dat allen in hun hoop ontgoocheld worden.’
Verder is er een soortgelijk dossier op te stellen over het rolrecht in het Vrijgraafschap Bourgondië. Margareta van Oostenrijk mocht soms delen in de collaties van haar neef, maar ze beschikte verder over haar eigen ‘ius indulti’ in het Vrijgraafschap, dat in de loop der tijd een ampliatie kreeg op verzoek van haar neef Karel, die wist dat haar rechten ‘iure proprietatis’ zouden overgaan op hem.54 Bovendien werden de rollen van de Nederlanden en het Vrijgraafschap onder Filips II aan elkaar gekoppeld, zodat er een sterkere band bestond tussen de informatie van de Nederlanden en die van het Vrijgraafschap.55
Als aanhangsel bij het rolrecht en de consulta komen hier enkele voorbeelden, waarvan het verband met deze sectie niet evident is. Zij verwijzen echter naar de vragen en antwoorden, die buiten de gebruikelijke procedure op een oplossing wachtten. Het verband met de verhouding van Kerk en Staat is er onomstreden en opent onvoorziene paden in het kader van het patronaatsrecht.
Zo zag men Maria van Hongarije soms tussenkomen om een kandidaat een voorkeursbehandeling te geven. Geerlof Doys had aan de landvoogdes een verzoek gestuurd voor ‘etlycke provisie voer syne zoenen’. Deze raadsheer had zich zeer ingespannen om Gelre bij de Nederlanden aan te hechten. René van Chalon kreeg toen uit Mons op 4 november 1543 het verzoek om zijn advies mee te delen.56
Toen Jacob Pieck, heer tot Ysendoorn, costumier raad van de Keizerlijke Majesteit in het vorstendom Gelre, voor zijn zoon priester een ondersteuning bepleitte, vroeg Maria van Hongarije dat voorrang aan dit verzoek werd gegeven.57 Soortgelijke verzoeken bleven buiten de rol en ze moeten nog precisering aanbrengen in de ruime mogelijkheden van de vorst.
Op dezelfde wijze kwamen andere, soms toevallige ontmoetingen de weg naar Brussel (de rol of een ‘consulta’) doorkruisen. Zo schreef Maria van Hongarije op 2 oktober 1546 dat Maurits Heust, de zoon van meester Pieter, in aanmerking kwam voor een presentatie van een beneficie. De afspraak was gemaakt, toen Karel V het jaar daarvoor Nijmegen bezocht.58
Toen meester Hendrik van Thyll, raadsheer, en Albert Jonge, secretaris van de stad Zwolle, zich tot Karel V en de bisschop van Utrecht wendden, had de magistraat hen met volgende klacht gestuurd. De parochiekerk was niet bediend door een vicaris, zoals gebruikelijk was. De pastoor had beloofd om een desservitor aan te stellen. Daarover was ook een overeenkomst met het kapittel van Deventer. Op dat ogenblik werd te Utrecht het kapittel van het Gulden Vlies gevierd. Lodewijk van Schore plaatste op 2 januari 1546 in de kantlijn van het verzoekschrift de genomen beslissing.59 Zo schreef Maria van Hongarije de volgende dag een brief aan meester Hendrik Heminck dat hij de overeenkomst moest naleven. Anders kwam er een andere pastoor. Aan het kapittel van Sint-Lebuïnus liet men weten dat hun pastoor zijn taak niet vervulde.60
Uit een ongedateerde nota aan de audiëncier te Brussel bleek dat Friedrich von Rhede, de broer van Gerhard, edelman, zelf een verzoek aan het Hof had gebracht. Friedrich was toen kanunnik van Sint-Lebuïnus te Deventer en Oldenzaal (1519-1545) en woonde te Deventer.61 Maria van Hongarije gaf het bevel om te schrijven naar de domdeken en het kapittel te Münster. Zij liet optekenen dat Friedrich in Münster kanunnik was en dat hij in dienst van de keizer werkte. Zij hoopte dat ze hem goed zouden behandelen en hem van zijn prebende zouden laten genieten.62
Wie een verzoek stuurde aan Lodewijk van Schore kon daar verschillende redenen voor hebben. Nicolaas Verheyden van Venray in het Land van Kessel, maar ondertussen in dienst van de stad Deventer, schreef aan de voorzitter van de Geheime Raad en noemde hem ‘dominus praeceptor’. Had hij destijds aan de Leuvense universiteit nog les gevolgd bij professor Van Schore? Hij kwam er onomwonden voor uit dat Van Schore voor zijn zoon een prebende in de stad Zutphen had bezorgd. Nu had hij een verzoek voor de zoon van zijn broer: Pieter Verheyden, clericus Leodiensis, studens Coloniensis. Graag verzocht hij voor Pieter de vruchten van een vicarie in Venray. Petrus van der Heiden, Venradensis, immatriculeerde in 1547 aan de universiteit van Keulen,63 maar of het verzoek positief werd beantwoord, was in Venray niet meer te achterhalen.64