Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.10.4
4.2.10.4 Europese verplichting tot terugvordering = nationale bevoegdheid?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398478:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82 (Deutsche Milchlcontor), Jur.1983, p. 2633, r.o. 20.
HvJEG 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82 (Deutsche Milchlcontor), Jur.1983, p. 2633, r.o. 18-20.
HvJEG 13 maart 2008, gevoegde zaken C-383/06-C-385/06 (ESF-arrest), Jur. 2008, p.1-1561, AB 2008, 207, m.nt. W. den Ouden, JB 2008/104, m.nt. AJB, NI 2008, 349, m.nt. M.R. Mok, SEW 2010, p. 163-167, m.nt. M.J.M. Verhoeven en R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 53.
Zie ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 240, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden onder AB 2007, 241, JB 2006/303, m.nt. AJB (Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant); ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Cedris); ABRvS 30 augustus 2006, LJN AY7173 (Gemeente Rotterdam).
In de uitspraak wordt overwogen dat er voor de terugvordering geen wettelijke grondslag bestond. Dit is wat ongenuanceerd, nu wel een wettelijke grondslag voorhanden was, maar deze in het individuele en concrete geval niet kon worden toegepast. Vergelijk Verhoeven 2010A, p. 45.
Over de vraag in hoeverre een nationaal uitvoeringsorgaan in het algemeen een bevoegdheid kon ontlenen werd in Nederland veel gediscussieerd mede naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2006, AB 2006, 2008, m.nt. W. den Ouden, Gst. 2006, 98, p. 372, m.nt. R.J.M. van der Tweel. In deze uitspraak overwoog de ABRvS in het kader van de Europese verplichting tot terugvordering van staatssteun inclusief rente, dat naar Nederlands recht geen grondslag voor vordering van rente bestond. Volgens de Afdeling heeft artikel14, tweede lid, van de Verordening nr. 659/99 weliswaar rechtstreekse werking, maar strekt deze bepaling niet tot het scheppen van een bevoegdheid van de minister tot het vorderen van rente bij onrechtmatig verstrekte staatssteun. Zie hieromtrent ook Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 160. Op de uitspraak van 11 januari 2006 is - ook vanuit Brussel - veel kritiek gekomen.
HvJEG 13 maart 2008, gevoegde zaken C-383/06-C-385/06 (ESF-arrest), Jur. 2008, p.1-1561, r.o. 53, AB 2008, 207, m.nt. W. den Ouden, JB 2008/104, m.nt. AJB, Nj 2008, 349, m.nt. M.R. Mok, SEW 2010, p. 163-167, m.nt. M.J.M. Verhoeven en R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 35.
HvJEG 13 maart 2008, gevoegde zaken C-383/06-C-385/06 (ESF-arrest), Jur. 2008, p. 1-1561, r.o. 53, AB 2008, 207, m.nt. W. den Ouden, JB 2008/104, m.nt. AJB, NJ 2008, 349, m.nt. M.R. Mok, SEW 2010, p. 163-167, m.nt. M.J.M. Verhoeven en R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 40. Het Hof heeft deze overweging recent herhaald in HvJEU 21 december 2011, C-465/10 (Chambre de commerce et d'industrie de l'Indre), n.n.g., r.o. 35.
Kamerstukken II 2007/08, 26 642, nr. 108, p. 7. Zie hieromtrent Ortlep 2011, p. 372.
Zie B.J. Drijber onder HvJEG 18 juli 2007, C-119/05 (Lucchini), Jur. 2007, p. 1-6199, SEW 2008, p. 402-404. Drijber merkt op dat het erop lijkt dat voor terugvordering geen nationale rechtsgrondslag kan worden geëist. Zijn uitleg is 'dat het nationale legaliteitsbeginsel opzij moet worden gezet, echter alleen als (en omdat) er een specifieke bepaling in een verordening is die tot terugvordering verplicht.' Zie ook punt 2 van de annotatie van M.R. Mok onder NJ 2008, 349.
Zij spreekt van een Europees vangnet. Zie Gorissen 2009A, onder 3.
Zie ook Ortlep 2011, p. 373; Frese 2011, p. 204; Verhoeven 2011, p. 234-235; Ortlep 2009, p. 93; Den Ouden 2008, p. 17.
Ook Gorissen merkt op dat geen sprake is van een geheel gecommunautariseerde bevoegdheid. Zie Gorissen 2009A, onder 3.
Zie ook Ortlep 2011, p. 373.
Verhoeven 2010A, p. 45. Zie ook Ortlep 2011, p. 373. Van Emmerik heeft hieruit de conclusie getrokken dat een (bepaling van een) verordening als bevoegdheidsgrondslag voor de lidstaat kan dienen. Zie van Emmerik 2008, p. 151.
Zie ook Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 161. Verhoeven merkt terecht op dat een andersluidende opvatting het wonderlijke gevolg zou hebben dat een lidstaat aan zijn terugvorderingsverplichting kan ontkomen door ter uitvoering daarvan intern geen bevoegdheden te attribueren. Zie Verhoeven 2010A, p. 45.
Zie ook Verhoeven 2010A, p. 45.
Verhoeven 2011, p. 235; Verhoeven 2010A, p. 45. Zie ook Ortlep 2011, p. 373.
Verhoeven 2011, p. 235; Verhoeven 2010A, p. 46.
Ortlep 2011, p. 372-373; Verhoeven 2010A, p. 46; Bok onder JB 2008/104, punt 9; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 161.
De term 'Europese verplichting is nationale bevoegdheidtheorie' is ontleend aan Den Ouden 2008, p. 14.
Den Ouden 2008, p. 16. Hierop is in paragraaf 42.5 reeds uitgebreid ingegaan.
Zie ook Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 162; Davidson 2008, p. 117.
Den Ouden 2008, p. 17.
Den Ouden 2008, p. 17; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 26 e.v. en over deze vraag in staatssteunzaken Van Angeren & Den Ouden 2005, p. 189 e.v. In staatssteunzaken ligt overigens een en ander nog ingewikkelder omdat in de toepasselijke Verordening 659/99 expliciet is bepaald dat terugvordering geschiedt overeenkomstig het nationale recht.
Den Ouden 2008, p. 17. Zie ook Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 162.
Zie artikel 20 van het Statuut. Zie ook Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 162.
Den Ouden 2008, p. 18. Dit is in ieder stadium van het geding mogelijk, zie artikel 44, vierde lid, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie.
Den Ouden 2008, p. 18.
Den Ouden 2008, p. 18.
Den Ouden 2008, p. 18.
Vergelijk Den Ouden 2008, p. 18. Zie ook Van den Brink & Den Ouden 2012.
Den Ouden 2008, p. 18. Zie de Mededeling Actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd interne controlekader (COM (2006), 9); de Mededeling over een stappenplan voor een geïntegreerd interne controlekader (COM (2005), 252). EU-trendrapport 2012, p. 39 e.v. Ook in de rechtspraak bestaat aandacht voor deze problematiek. Zo overweegt advocaat-generaal Y. Bot in zijn conclusie van 6 mei 2008 in de zaak Heemskerk/Schaap (C-455/06, AB 2009, 14, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven) dat het Hof zou moeten verklaren dat het gemeenschapsrecht op grond van het doeltreffendheidsbeginsel verplicht tot ambtshalve toepassing van het gemeenschapsrecht door de nationale rechter buiten de grenzen van artikel 8:69 van de Awb, zodat op die manier fraude met gemeenschapsgelden kan worden aangepakt. Het Hof heeft het advies van de advocaat-generaal overigens niet opgevolgd. Zie HvJEG 25 november 2008, C-455/06 (Heemskerk/Schaap), Jur. 2008, p. 1-8763, AB 2009, 14, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven.
Den Ouden 2008, p. 19.
GEU 15 april 2011, T-297/05 (IPK International/Commissie), n.n.g., AB 2011, 285, m.nt. A. Drabmann, SEW 2012, p. 121-125, m.nt. J.C.A. van Dam en J.E. van den Brink, r.o. 117 en 118.
De volgende vraag die aan de orde komt is in hoeverre een bevoegd nationaal uitvoeringsorgaan rechtstreeks bevoegdheden kan ontlenen aan een bepaling uit een Europese subsidieverordening die is gericht tot de lidstaat en een verplichting tot terugvordering bevat. Het kan daarbij gaan om een bepaling die niet rechtstreeks toepasselijk is, omdat de lidstaat een beoordelingsmarge heeft op welke wijze de terugvordering ter hand wordt genomen. Indien de in het nationale recht neergelegde bevoegdheden ontoereikend zijn om de Europese verplichting uit te voeren, ontstaat een probleem. Ook indien de bepaling wel rechtstreeks toepasselijk is, kan de vraag worden opgeworpen of de verplichting tot terugvordering als bevoegdheidsgrondslag kan dienen voor een nationaal uitvoeringsorgaan. De eindontvanger van een Europese subsidie wordt immers geconfronteerd met een terugvorderingsbevoegdheid die is gebaseerd op een verplichting die is gericht tot de lidstaat. Vraag is of dit is geoorloofd gelet op het Europese legaliteitsbeginsel.
In het arrest Deutsche Milchkontor kwam de vraag aan de orde in hoeverre artikel 8 van de Verordening nr. 729/70 als rechtsgrondslag kon dienen voor de bevoegdheid van de nationale autoriteiten om onverschuldigd betaalde Europese subsidies terug te vorderen van de ontvangers.1 Artikel 8 bepaalde dat de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maatregelen moesten treffen om onregelmatigheden die de werkzaamheden van het EOGFL ongunstig zouden kunnen beïnvloeden, te voorkomen en te vervolgen, en om de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane middelen terug te vorderen. Het Hof van Justitie beantwoordde de voormelde vraag ontkennend. Volgens het Hof van Justitie regelt artikel 8 niet de betrekkingen tussen de interventiebureaus en de betrokken marktdeelnemers, omdat de Europese verordening geen specifieke bepalingen betreffende de uitoefening van de controlerende functie door de bevoegde autoriteiten bevat.2 De terugvordering van onverschuldigd betaalde Europese subsidies werd dan ook beheerst door het nationale recht.
Uit het arrest Deutsche Milchkontor blijkt niet wanneer een bepaling uit een Europese verordening wel direct als rechtsgrondslag kan dienen voor een bevoegdheid tot terugvordering van nationale uitvoeringsorganen. Een nieuwe kans voor het Hof van Justitie om zich over deze vraag uit te spreken, deed zich voor in het zogenoemde EsF-arrest. Eén van de prejudiciële vragen die aan dit arrest ten grondslag ligt luidt in hoeverre de lidstaat of een nationaal uitvoeringsorgaan aan een verplichting tot terugvordering voor de lidstaat neergelegd in een Europese verordening een nationale bevoegdheid kan ontlenen.3 Het ging in deze zaak om het á besproken artikel 23 van de Coërdinatieverordening waarin was bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen dienden te nemen om door misbruik of nalatigheid verloren Europese subsidies terug te vorderen. Deze bepaling verschilt van voormeld artikel 8 van de Verordening nr. 729/70, nu hierin geen verwijzing is opgenomen naar de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.
De ABRvS had in een drietal uitspraken van 30 augustus 2006 geconstateerd dat van misbruik in de zin van artikel 23 van de Coërdinatieverordening sprake was.4 In het nationale recht bestond weliswaar een bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van ESF-subsidies, maar de Afdeling was van oordeel dat het subsidieverstrekkende nationale uitvoeringsorgaan, de minister van szw, deze bevoegdheid in het onderhavige geval niet kon toepassen.5 Dit betekende dat aan de verplichting van de lidstaat om de nodige maatregelen te treffen om door misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen, nationaalrechtelijk gezien geen gevolg kon worden gegeven.
De Afdeling werd derhalve geconfronteerd met het probleem dat de minister van szw nationaalrechtelijk bezien niet aan zijn Europese terugvorderingsverplichtingen kon voldoen. Gelet hierop, besloot de Afdeling aan het Hof van Justitie onder meer de prejudiciële vraag te stellen of artikel 23 van de Coördinatieverordening zelf een grondslag voor terugvordering door de minister zou kunnen bieden. Met andere woorden: kan de minister aan artikel 23 van de Coördinatieverordening direct een terugvorderingsbevoegdheid ontlenen?6 Indirect werd aan het Hof de vraag gesteld of om deze verplichting te kunnen uitvoeren nog een grondslag nodig was in het nationale recht. In dat kader speelde het probleem dat in artikel 23 van de Coördinatieverordening werd gesproken van 'de nodige maatregelen' hetgeen erop duidt dat de terugvordering wordt beheerst door het nationale recht. In dat geval is het, zoals in paragraaf 4.2.5.5 besproken, lastig voorstelbaar dat een nationaal uitvoeringsorgaan een dergelijke bepaling überhaupt direct kan toepassen. Dat in voormeld artikel 23 van de Coördinatieverordening niet was bepaald welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan bevoegd was de verplichting uit te voeren, leverde als gezegd geen problemen op, nu op nationaal niveau wel een bevoegdheid tot terugvordering bestond voor de minister van szw. Deze bevoegdheid kon echter in het concrete en individuele geval niet worden toegepast.
In antwoord op de prejudiciële vraag overweegt het Hof allereerst dat communautaire verordeningen volgens de bewoordingen van artikel 249, tweede alinea, EG-verdrag (thans artikel 288 vwEu) rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten.7 Vervolgens stelt het Hof vast dat de tenuitvoerlegging van de subsidieverlening in het kader van het ESF hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid is van de lidstaten. Met de verplichting die artikel 23, eerste lid, eerste alinea, van de Coördinatieverordening nationale overheden oplegt om ten onrechte of op onregelmatige wijze toegekende gelden te recupereren, is onverenigbaar dat de lidstaat discretionair zou kunnen beoordelen of het opportuun is ten onrechte of op onregelmatige wijze toegekende gemeenschapsgelden terug te vorderen, aldus het Hof van Justitie. Voorts is het Hof van Justitie van oordeel dat artikel 23, eerste lid, de juiste rechtsgrondslag is en op grond daarvan tot terugvordering moet worden overgegaan. Het Hof van Justitie komt tot de conclusie dat artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening voor de lidstaten, zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, een verplichting schept om als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen.8
De vraag rijst hoe deze overweging moet worden geïnterpreteerd. Is het Hof van Justitie nu van oordeel dat nationale uitvoeringsorganen rechtstreeks op grond van artikel 23 van de Coördinatieverordening onregelmatig bestede Europese subsidies kunnen intrekken en terugvorderen? Zoals blijkt uit een brief van 7 juli 2008 was de toenmalige Staatssecretaris van szw van mening dat dit wel het geval is. Volgens hem is 'de overheid op grond van het Europees recht verplicht om Europese subsidies terug te vorderen in geval van misbruik of nalatigheid van de subsidieontvanger.'9 Daarvoor is een bijzondere bevoegdheidsbepaling in een nationale wet niet nodig, zo meent de staatssecretaris. Drijber lijkt dezelfde opvatting toegedaan.10 Gorissen neemt een genuanceerder standpunt in: naar haar mening heeft het Hof van Justitie bedoeld dat indien het nationale recht geen mogelijkheid biedt voor effectieve terugvordering, een bevoegdheid tot terugvordering voor een nationaal uitvoeringsorgaan kan worden gevonden in artikel 23 van de Coördinatieverordening.11
Naar mijn mening zijn deze opvattingen van het EsF-arrest onjuist; het Hof geeft helemaal geen antwoord op voormelde vraag.12 Ten eerste spreekt het Hof van Justitie van een verplichting om als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen. Dit betekent nog niet dat het Hof van mening is dat sprake is van een bepaling zonder beoordelingsmarge die rechtstreeks door de lidstaten kan worden toegepast.13 Ten tweede geeft het Hof geen antwoord op de vraag of het ook mogelijk is dat nationale uitvoeringsorganen rechtstreeks aan een verordening een bevoegdheid tot terugvordering kunnen ontlenen.14 Het Hof van Justitie maakt slechts duidelijk dat de Coördinatieverordening voor de lidstaat een terugvorderingsverplichting schept, die niet afhankelijk is van de interne bevoegdheidsattributie binnen de lidstaat.15 Deze verplichting werd echter ook niet door de Afdeling ter discussie gesteld.16 Het probleem is nu juist dat de intrekkings- en terugvorderingsbevoegdheden ten aanzien van Europese subsidies niet door de lidstaat worden uitgeoefend, maar door nationale uitvoeringsorganen van die lidstaat.17 Het Hof van Justitie had echter ruimte om slechts op de verplichting van de lidstaat in te gaan omdat, zoals Verhoeven terecht opmerkt, de vraag van de ABRvS of bevoegdheden rechtstreeks kunnen worden ontleend aan een verordening niet werd toegespitst op bestuursorganen, maar op de 'lidstaat, respectievelijk een bestuursorgaan van die staat'.18 Het Hof behoefde de vraag of een verordening ook rechtstreeks bevoegdheden voor nationale uitvoeringsorganen kan scheppen dan ook niet te beantwoorden.
Ook overigens bestaat geen jurisprudentie van het Hof van Justitie waaruit duidelijk blijkt onder welke voorwaarden een verordening als directe grondslag kan dienen voor bevoegdheden van nationale uitvoeringsorganen.19 Het EsF-arrest geeft, ondanks het gebruik van het woordje 'bevoegdheidsattributie', over deze vraag geen duidelijkheid.20 Van een 'Europese verplichting tot terugvordering = nationale bevoegdheidtheorie' is geen sprake.21 Een dergelijke theorie zou ten eerste niet passen in de bestaande jurisprudentielijn. Juist ten aanzien van de terugvordering van Europese gelden, heeft het Hof van Justitie altijd benadrukt dat wanneer de Europese bepalingen over controle en handhavingsverplichtingen vrij algemeen zijn geformuleerd, de lidstaten deze taken moeten uitvoeren met behulp van het nationale recht.22 Een wijziging van deze jurisprudentielijn rechtvaardigt meer uitgebreide en beter gemotiveerde overwegingen van het Hof van Justitie.23 Ten tweede werden vergelijkbare bevoegdheidsvragen á vaker aan het Hof voorgelegd.24 Het Hof heeft in de beantwoording van die vragen geen eenduidige benadering gekozen en ontwijkt regelmatig beantwoording daarvan.25 Ten slotte wijst Den Ouden erop dat de omstandigheden van het EsF-arrest niet wijzen op antwoorden van een zeer fundamentele aard.26 Het arrest werd namelijk gewezen zonder conclusie van een advocaat-generaal, hetgeen betekent dat er geen nieuwe rechtsvragen aan de orde zijn.27 Verder is het arrest gewezen door een kleine kamer die geen reden heeft gezien de zaak, wegens het belang ervan, naar een grote kamer te verwijzen.28
Het Hof van Justitie heeft mijns inziens met het EsF-arrest vooral willen benadrukken dat de lidstaten de verplichting hebben om onregelmatigheden met Europese subsidies aan te pakken.29 Den Ouden attendeert er in dat verband op dat het Hof in het arrest wel vijf keer vermeldt dat de nationale handhavingsbevoegdheden die voortvloeien uit de Awb discretionair van aard zijn. Het lijkt erop dat het Hof de indruk heeft gekregen dat Nederlandse uitvoeringsorganen te nonchalant omgaan met Europese handhavingsverplichtingen.30 Daarbij komt dat de laatste jaren op Europees niveau veel aandacht bestaat voor het bestrijden en voorkomen van fraude met Europese subsidies.31 Regelmatig wordt in de kranten bericht over onregelmatigheden met Europese subsidies, hetgeen het imago van de EU geen goed doet. Dat het hierbij niet gaat om incidenten, kan worden afgeleid uit het feit dat de Europese Rekenkamer á zeventien jaar weigert om een goedkeurende verklaring af te geven over de rechtmatigheid van de Europese uitgaven.32 Er wordt op Europees niveau dan ook alles aan gedaan om een goedkeurend oordeel van de Europese Rekenkamer te verkrijgen.33 Waar de ABRvS vanuit de Nederlandse bevoegdheidsdiscussie vragen stelt, krijgt zij een antwoord van het Hof vanuit de gedachte dat de financiële belangen van de EU moeten worden beschermd.34
In paragraaf 4.2.10.2 is het arrest IPK International besproken. Uit dit arrest kan wellicht worden afgeleid dat het in het nationale recht aangewezen nationaal uitvoeringsorgaan dat bevoegd is de Europese subsidie te verstrekken, enkel op grond van artikel 4 van de Verordening nr. 2988/95 bevoegd is de Europese subsidie terug te vorderen.35 Hoewel het in dit arrest gaat om de terugvordering van een Europese subsidie door de Europese Commissie, is het arrest zodanig ruim geformuleerd dat eruit zou kunnen worden afgeleid dat ook voor de terugvordering door nationale uitvoeringsorganen een afzonderlijke grondslag in het Europese noch nationale recht noodzakelijk is. Indien het arrest van het Gerecht zo zou moeten worden begrepen, is de hele bevoegdheidsdiscussie volgend uit het EsF-arrest achterhaald. Als gezegd, moet worden bedacht dat het arrest IPK International een bijzonder geval was, nu er geen specifieke Europese bepalingen bestonden omtrent de terugvordering van de Europese subsidie.