Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.4.1
8.4.1 Aan art. 6:170 te ontlenen gezichtspunten
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299232:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het functioneel verband van art. 6:170 ook reeds par. 5.3.1.
De rook van Groots Kievitsdal gloort ook aan de horizon van art. 6:181, aldus reeds Oldenhuis en Kolder 2012, p. 34.
Vgl. par. 5.4.4, waaruit blijkt dat art. 6:181 niet op alle fronten naar het voorbeeld van art. 6:170 valt te plooien.
Zie par. 7.8.
In bepaalde gevallen kan dit anders zijn. Denk bijvoorbeeld aan een aansprakelijkheid ex art. 6:181 van de opdrachtgever voor zaken van een art. 6:171-opdrachtnemer. Zie daarover ook par. 7.7.4.
Vgl. ook Oldenhuis 2014, p. 70 over het functioneel verband van art. 6:170: ‘maakte de ondergeschikte ten tijde dat het delict door hem werd begaan, gebruik van materiaal (bijvoorbeeld gereedschap) of materieel van de meester (bijvoorbeeld de auto) dan zal men al snel geneigd zijn het functioneel aanwezig te achten.’
Vgl. in deze zin ook HR 15 december 2000, NJ 2001/198 (Van Uitert/Lasschuijt) en HR 9 februari 2007, NJ 2007/105 (Feenstra/Haije), over de functionele samenhang met het werk (schade ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’) in de zin van art. 7:658. Een tijdens diensttijd op de werkplek eigenmachtig of in strijd met instructies van zijn werkgever handelende werknemer, plaatst zichzelf niet buiten de werkingssfeer van art. 7:658, zo maakt de Hoge Raad duidelijk.
Een voorbeeld biedt, zij het in mijn ogen geïnspireerd op het verkeerde spoor van art. 6:171, Hof Amsterdam 25 oktober 2007, JA 2008/2 (Westfriese Flora). Voor het overige heb ik ter illustratie telkens voorbeelden moeten ontlenen aan andere aansprakelijkheden, zoals art. 6:170, 171 en – zoals ook nog zal blijken – art. 7:658 en 611. Wellicht speelt hierbij mee dat zoals verdedigd de gewenste afbakening al is te bereiken via het gebruiks- en soms ook het bedrijfsbegrip van art. 6:181.
HR 17 december 2010, NJ 2012/155, m.nt. Hartlief (Wilnis), bevestigd in HR 30 november 2012, NJ 2012/689 (Paalrot).
In het arrest Groot Kievitsdal werd in het kader van het verwijt dat de werkgever viel te maken, gesproken van het ‘opjuinen’ van de schadeveroorzakende hulpperso(o)n(en).
Wellicht is diens aansprakelijkheid in een dergelijk geval ook mogelijk op grond van art. 6:162.
Geïnspireerd op het functioneel verband van art. 6:170 (tussen de ‘fout’ en de opgedragen werkzaamheden) zal ook het functioneel verband van art. 6:181 (tussen het gebruik van de zaak en de bedrijfsactiviteiten) in uitgangspunt een ruime uitleg toekomen.1 Voorts kunnen de op het terrein van art. 6:170 ontwikkelde, ter beoordeling van het functioneel verband relevante gezichtspunten óók dienstig zijn ter beoordeling van het functioneel verband van art. 6:181.2 Zo zal, geïnspireerd op art. 6:170 en voorzover passend bij art. 6:181,3 ter beoordeling van het functioneel verband van art. 6:181 in ieder geval betekenis kunnen toekomen aan de volgende gezichtspunten:
de aard van het gebruik waarbij de zaak de schade veroorzaakte;
de plaats waar van de schadeveroorzakende zaak gebruik werd gemaakt;
het tijdstip waarop gebruik werd gemaakt van de schadeveroorzakende zaak;
de betrokkenheid van hulpmiddelen van de ex art. 6:181 aangesprokene bij de schadeveroorzaking;
of de bedrijfsactiviteiten van de ex art. 6:181 aangesprokene de gelegenheid hebben geschapen tot het schadeveroorzakende gebruik;
of de ex art. 6:181 aangesprokene een verwijt treft in relatie tot het schadeveroorzakende gebruik;
of de bij het schadeveroorzakende gebruik betrokkenen ten tijde en ter plaatse van dit gebruik als een zekere eenheid naar buiten traden (behorend tot het bedrijf van de ex art. 6:181 aangesprokene);
of de ex art. 6:181 aangesprokene profijt had van de activiteiten waarbij het schadeveroorzakende gebruik plaatsvond;
of de ex art. 6:181 aangesprokene zeggenschap had over de activiteiten/ gedragingen waarbij het schadeveroorzakende gebruik plaatsvond.
Niettemin zal het antwoord op de vraag, of voldoende verband bestaat tussen een schadeveroorzakend gebruik van een in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaak en de bedrijfsactiviteiten van de op voet van art. 6:181 aangesprokene, telkens afhangen van een waardering van alle feiten en omstandigheden waaronder dat schadeveroorzakend gebruik plaatsvond. Ook de zojuist opgesomde gezichtspunten zullen steeds in het concrete geval gewogen moeten worden. De verheldering in afbakeningsgevallen in geval van toetsing aan het functioneel verband- vereiste van art. 6:181, en niet aan het gebruiksbegrip van deze bepaling, zal in mijn ogen vooral zitten in de voornoemde aan art. 6:170 te ontlenen gezichtspunten of ‘deelfactoren’ die voortvloeien uit c.q. een uitwerking betreffen van de meer algemene elementen kansvergroting en zeggenschap als zodanig. Aan de hand daarvan is in een voorkomend geval immers (nader) te concretiseren waarom ex art. 6:181 wel of geen (voldoende) functionele samenhang aanwezig wordt geacht. Hierbij valt echter wel direct aan te tekenen dat de aanvliegroute – hetzij via het functioneel verband hetzij via het gebruiksbegrip van art. 6:181 – vooral een kwestie van techniek lijkt, aangezien vooral het algemene element ‘zeggenschap’ van het gebruiksbegrip van art. 6:181 in afbakeningsgevallen ook (nader) gekarakteriseerd wordt door middel van ‘deelfactoren’ c.q. (nadere) gezichtspunten, namelijk onder meer in tijd, in ruimte en in zelfstandigheid, alsmede aan de hand van deskundigheid en vaardigheden.4 Hierin zijn deels de(zelfde) ‘deelfactoren’ te herkennen zoals relevant met betrekking tot het functioneel verband van art. 6:181 (en 170).
In het algemeen zal voor het functioneel verband van art. 6:181 in ieder geval, net zoals voor het gebruiksbegrip van art. 6:181, een ruime uitleg gelden. Het functioneel verband van art. 6:181 zal veelal spoedig aangenomen kunnen worden, misschien zelfs nog wel sneller dan de functionele samenhang op het terrein van art. 6:170. Vanwege de aard van de aansprakelijkheid van art. 6:181 – een aansprakelijkheid voor hulpzaken – is namelijk telkens al aan één relevant gezichtspunt voldaan, te weten de betrokkenheid van hulpmiddelen van de op voet van art. 6:181 aangesprokene.5 Deze betrokkenheid is niet enkel een onmisbare schakel om art. 6:181 überhaupt als grondslag voor de benadeelde in beeld te brengen, maar legt dus ook direct gewicht in de schaal bij de vraag naar het functioneel verband van deze bepaling. De situatie dat een schadeveroorzakend gebruik van een hulpmiddel van de ex art. 6:181 in geen enkel verband staat met diens bedrijfsvoering, laat zich dus maar moeilijk indenken.6 In ieder geval zal de voorname categorie gevallen die in beginsel buiten art. 6:170 valt, bestaande uit fouten in de privésfeer die ook niet worden gemaakt met gebruikmaking van zaken of middelen die aan de werknemer uit hoofde van de vervulling van zijn taak door de werkgever ter beschikking zijn gesteld, zich op het terrein van art. 6:181 niet snel voordoen. Gelet op de ruime uitleg van het functionele verband van art. 6:181, zal daaronder ook kunnen vallen een schadeveroorzakend gebruik van zaken tijdens schaft- of rusttijd, evenzo het gebruik van zaken dat niet op instructie of aanwijzing van de bedrijfsuitoefenaar plaatsvindt of zelfs in strijd daarmee. Ook een verkeerde bediening van een machine dan wel de bediening van een andere machine dan door de opdrachtgever aangewezen, zal niet aan een functioneel verband met de bedrijfsuitoefening in de weg staan.7 Hetzelfde geldt voor een schadeveroorzakend gebruik in verband met misbruik van de functie (oneigenlijk gebruik) of ‘bij gelegenheid’ van de gewoonlijk uit te oefenen bedrijfsactiviteiten. Een schadeveroorzakend gebruik van een zaak in de privésfeer of anderszins buiten de eigenlijke taakvervulling behoeft derhalve evenmin het functionele verband van art. 6:181 in de weg te staan. Dat het functioneel verband van art. 6:181 in veel gevallen snel kan worden aangenomen en in de praktijk weinig voer voor discussie is, lijkt bevestiging te vinden in het feit dat – voor zover ik kon nagaan – de tot nu toe over art. 6:181 verschenen rechtspraak nauwelijks voorbeelden biedt waarin het functioneel verband als zelfstandig vereiste aan de orde is gesteld.8
Omtrent de relevantie van het gezichtspunt van ‘een verwijt’ zijdens de ex art. 6:181 aangesprokene wens ik hier overigens nog aan te geven, dat daarmee niet gedoeld wordt op een tekort aan zorg voor de zaak (voor art. 6:173 en 174: inspectie en onderhoud, voor art. 6:179: toezicht en waakzaamheid). Op het terrein van art. 6:179, dat de aansprakelijkheid koppelt aan schade door de ‘eigen energie’ van het dier, is de mate van uitgeoefende zorg met betrekking tot het dier niet van belang. Op het gebied van art. 6:173 en 174 ligt dit, gelet op de Wilnis-doctrine betreffende de invulling van het gebreksvereiste,9 anders. Het is daarom wellicht goed op te merken dat een tekortschieten van de bedrijfsuitoefenaar met betrekking tot de staat waarin de zaak verkeert (inspectie, onderhoud, etcetera) het benodigde verwijt kan opleveren om de gebrekkigheid ex art. 6:173 en 174 aan te nemen. Het ‘verwijt’ dat een relevant gezichtspunt vormt bij de beoordeling van het functioneel verband van art. 6:181 moet mijns inziens evenwel niet geplaatst worden in de sleutel van de staat waarin de betreffende zaak verkeert, maar bij (de wijze van) het gebruik dat van de schadeveroorzakende wordt gemaakt. Denk aan de bedrijfsuitoefenaar die een oneigenlijk gebruik van een zaak bevordert of daartoe aanspoort, zoals het (laten) ophitsen van een dier.10 Als dit dier als gevolg daarvan uit ‘eigen energie’ schade veroorzaakt, zal de bedrijfsuitoefenaar – die daarvan een verwijt valt te maken – zich niet snel kunnen verweren met de stelling dat geen sprake was van gebruik van het dier ‘in de uitoefening van’ zijn bedrijf.11