Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.5.2
7.5.2 Kwalificatievraag
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655878:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik volg dus de auteurs die afgeleide schade zien als een feitelijk, in de zin van beschrijvend, begrip. In deze opvatting is niet van belang of (i) de afgeleide schade al dan niet definitief is geworden door toedoen van de vennootschap, dan wel of (ii) de – met de afgeleide schade van de aandeelhouder corresponderende – vermogensschade van de vennootschap al dan niet het gevolg is van een tekortkoming of onrechtmatige daad van een derde jegens de vennootschap. Zie voor deze opvatting onder meer Kroeze 2004, p. 11-18; Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 14, p. 250-253; Assink 2012, p. 311-312.
Assink en Kroeze beantwoorden deze vraag eveneens ontkennend, zie Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 14, p. 253 respectievelijk Kroeze 2012, § 3.1, voetnoot 3.
Zie ik het goed, dan wenst De Jong deze schade wel aan te merken als afgeleide schade, zie De Jong 2010, p. 191.
Vgl. in het kader van de verjaringsproblematiek onder meer de arresten HR 9 juli 2010, NJ 2012/194, m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/196 (X/Y en Z), r.o. 3.4.5 en HR 4 mei 2012, NJ 2016/197, m.nt. C. E. du Perron (Huisman q.q./Hoskens), r.o. 3.4.3.
In gelijke zin Kroeze 2012, § 3.1, voetnoot 3. Zie in dit verband ook Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 14, p. 253, voetnoot 170.
Onder deze doctrine versta ik de door de Hoge Raad in het Poot/ABP-arrest geformuleerde regel dat wanneer een vennootschap vermogensschade lijdt als gevolg van een door een derde jegens haar begane tekortkoming of gepleegde onrechtmatige daad, in beginsel alleen de vennootschap het recht toekomt uit dien hoofde van de derde schadevergoeding te vorderen. Zie HR 2 december 1994, NJ 1995/288, m.nt.J.M.M. Maeijer (Poot/ABP), r.o. 3.4.1-3.4.4.
Ik begin zoals ik al opmerkte met de kwalificatievraag. Kan de hier bedoelde component van het koersverlies worden aangemerkt als zogenoemde ‘afgeleide schade’, te weten schade die de aandeelhouder lijdt als gevolg van een waardevermindering van zijn aandelen die loopt via het vermogen van de vennootschap.1 Ik neig ernaar deze vraag ontkennend te beantwoorden.2,3 Weliswaar hangt het onderhavige koersverlies samen met uitgaven die de vennootschap in de toekomst – naar verwachting – zal moeten doen, maar op het moment waarop het koersverlies intreedt (het moment van de bekendwording van de misleiding), zijn de uitgaven nog niet gedaan en hebben deze het vennootschapsvermogen nog niet verminderd. Omdat de uitgaven het vennootschapsvermogen nog niet hebben verminderd, heeft zich bij de vennootschap ook nog geen vermogensschade gematerialiseerd.4 En zolang er bij de vennootschap nog geen sprake is van gematerialiseerde vermogensschade, kan ook de aandeelhouder mijns inziens geen – van deze vermogensschade van de vennootschap – afgeleide schade lijden. Om deze reden acht ik het minder juist om het hier bedoelde koersverlies aan te merken als afgeleide schade.
Bij het voorgaande past nog wel de nuancerende kanttekening dat wat de kosten betreft die de vennootschap moet maken in verband met te voeren juridische procedures, mijns inziens niet pas sprake is van gematerialiseerde vermogensschade van de vennootschap en daarvan afgeleide schade van de aandeelhouder als sprake is van een uitgaande kasstroom. Reeds op het moment waarop (het bestuur van) de vennootschap het formele besluit neemt voor deze kosten een voorziening op de balans op te nemen, kan men spreken van gematerialiseerde vermogensschade van de vennootschap en daarvan afgeleide schade van de aandeelhouder.5 In de praktijk zal het echter altijd zo zijn dat er na het bekend worden van de misleiding enige tijd overheen gaat voordat de vennootschap besluit een voorziening op te nemen. Er zal immers eerst zorgvuldig onderzoek gedaan moeten worden naar de omvang van de misleiding en – in het verlengde daarvan – naar de omvang van de met de misleiding samenhangende kosten voor juridische procedures. Zolang dit onderzoek loopt en er nog geen formeel besluit is genomen tot het opnemen van een voorziening, is er nog geen sprake van gematerialiseerde vermogensschade van de vennootschap en daarvan afgeleide schade van de aandeelhouder. In de praktijk zal dus altijd enige tijd zijn gelegen tussen enerzijds het bekend worden van de misleiding en het op dat moment door de markt alvast in de beurskoers inprijzen van verwachte toekomstige uitgaven en anderzijds het moment waarop de vermogensschade zich bij de vennootschap materialiseert. Dit laatste onderstreept mijns inziens het belang van het hier bedoelde kwalificatievraagstuk.
Mocht men het hier bedoelde kwalificatievraagstuk anders willen benaderen en het koersverlies dat voortkomt uit het door de markt alvast inprijzen van verwachte toekomstige uitgaven wel wensen aan te merken als ‘afgeleide schade’, dan moet dit type afgeleide schade in ieder geval worden onderscheiden van het type afgeleide schade zoals we dat kennen uit de bekende Poot/ABP-doctrine.6 Het verschil tussen beide afgeleide schadetypen is dat bij het laatstgenoemde type de (met de afgeleide schade van de aandeelhouder corresponderende) vermogensschade van de vennootschap zich wel daadwerkelijk heeft gematerialiseerd. Eventueel zou men nog kunnen zeggen dat de hier bedoelde schade een soort toekomstvariant is van het type afgeleide schade uit de Poot/ABP-doctrine, maar een dergelijke aanduiding/kwalificatie komt de helderheid volgens mij niet ten goede. Om verwarring te voorkomen, lijkt het mij daarom verstandiger om het koersverlies dat samenhangt met het door de markt alvast inprijzen van verwachte toekomstige uitgaven niet onder de categorie afgeleide schade te scharen, en om het – in plaats daarvan – simpelweg aan te merken als gevolgschade.