Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.6.7
6.6.7 Wijze van benaderen bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344296:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
T.a.p., blz. 303.
Ook hier kunnen vanuit de bedrijfseconomische invalshoek kanttekeningen bij worden geplaatst. Bedrijfseconomisch is het immers zo dat complementair verbonden goederen als een eenheid worden gezien. Dit betekent dat weliswaar de bedrijfswaarde van het desbetreffende bedrijfsproces kan worden bepaald, de bedrijfswaardebepaling van individuele activa (niet zijnde zelfstandige vrucht-dragers) is bedrijfseconomisch gezien echter niet mogelijk. Vandaar dat in bedrijfseconomisch opzicht de compensatie van de hoge bedrijfswaarde van het ene actief met een lage bedrijfswaarde van het andere actief in het geheel niet aan de orde is.
In de literatuur wordt veel gediscussieerd over de vraag of afwaardering op lagere bedrijfswaarde individueel per actief of groepsgewijs dient te gebeuren. Hoogendoorn1 spreekt zijn voorkeur uit voor de individuele benadering. Alleen indien er sprake is van een complex van samenhangende productiemiddelen mag onder bepaalde omstandigheden de bedrijfswaarde van het gehele complex worden vergeleken met de totale boekwaarde daarvan. Onder bepaalde omstandigheden wil zeggen dat een individuele toerekening van de bedrijfswaarde bij samenhangende productiemiddelen niet goed mogelijk is omdat ze complementair verbonden zijn. De productie-output en productie-opbrengst kunnen daardoor ook niet aan een individueel bedrijfsmiddel worden toegerekend.
Trouwens, de hogere bedrijfswaarde van het ene activum mag niet worden gecompenseerd met de lagere bedrijfswaarde van een ander activum. Compensatie is naar de mening van Hoogendoorn zelfs uitgesloten bij gelijksoortige activa zoals bijvoorbeeld uitgaverechten of onroerende zaken.2