Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.6.2.2
3.6.2.2 Geërodeerde geheimhoudingsplicht?
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285606:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Informatieverstrekking door de fiscus (Registratiekamer 1999), blz. 19.
Informatieverstrekking door de fiscus (Registratiekamer 1999), blz. 19.
Hertoghs 1986, blz. 48.
Wortel 1991, blz. 290.
Wisselink 1997, blz. 141. Vergelijk: Wisselink 1982, blz. 211 en blz. 321.
Wisselink 1997, blz. 141.
Feteris 2007, blz. 293-294.
G.H. Sjobbema, Voorstel voor een verbeterd systeem van informatieverplichtingen ten dienste van belastingheffing, WFR 2007/67.
Luchtman 2007, blz. 127-128.
Luchtman 2007, blz. 138.
G. Overkleeft-Verburg in haar annotatie bij ABRvS 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1041, JB 2010/137.
M.B.A. van Hout, Gedeeld geheim, verloren geheim? TFB 2015/6-4.
De Registratiekamer constateerde dat de fiscale geheimhoudingsbepaling veel minder stringent was door het ontheffingenbeleid.1 De wettelijk voorgeschreven geheimhouding was volgens de Registratiekamer een noodzakelijk tegenwicht voor de vergaande bevoegdheden van de fiscus om informatie te vergaren. Dit tegenwicht was verstoord doordat het aantal ontheffingen een sterke groei vertoonde. Het karakter van uitzondering – dat juist in het begrip ontheffing besloten lag – ging daarmee verloren.2 Hertoghs stelde in 1986 dat de marge die op grond van art. 67, tweede lid, AWR was gecreëerd te ruim was.3 Wortel constateerde in 1991 dat de Belastingdienst op vrij grote schaal aan een ‘brancheoverschrijdende’ vorm van gegevensuitwisseling deed.4 Wisselink merkte in 1997 in dat kader op dat het VIV 1993 geen opsomming bevatte van overheidstaken en overheidsinstanties aan wie voor hun taakuitoefening bepaalde informatie gegeven mag worden zodat de reikwijdte van de informatieverstrekkingsbevoegdheden onduidelijk was.5 De verwijzing in het VIV 1993 naar ongepubliceerde bijlagen was naar zijn mening onvoldoende.6 Feteris heeft betoogd dat, gelet op de ratio van de geheimhoudingsplicht, men een zeer terughoudend gebruik van de ontheffingsbevoegdheid zou verwachten, maar constateerde dat op tamelijk uitgebreide schaal informatie werd verstrekt ter bestrijding en voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen.7 Sjobbema stelde zich op het standpunt dat het niet geringe aantal gevallen waarin ontheffing wordt ontleend, de kracht en effectiviteit van de geheimhoudingsverplichting ondermijnt, maar met het Wetsvoorstel Versterking fiscale rechtshandhaving werd beoogd de reikwijdte van het ontheffingenstelsel te beperken.8 Luchtman gaf aan dat vooral de intensiteit waarmee de Belastingdienst samenwerkte met andere bestuursorganen verbazing wekte. Hij constateerde dat de Belastingdienst samenwerking met andere bestuursorganen tot zijn taken rekende.9 Naar zijn mening waren de samenwerkingsverbanden waarbij de inspecteur zijn (strikt doelgebonden) fiscale onderzoeksbevoegdheden gebruikte ten behoeve van het samenwerkingsverband, ook als dat deels buiten de sfeer van de handhaving van de belastingwet lag, regelrecht in strijd met de gedachte achter art. 67 AWR.10 Overkleeft-Verburg komt tot de conclusie dat uit het verstrekkingenregime van het VIV 1993 blijkt dat de fiscale geheimhoudingsplicht geleidelijk aan sterk is uitgehold door gegevensverstrekkingen aan bestuursorganen ten behoeve van hun taakvervulling en weinig meer gemeen heeft met het oorspronkelijke doel.11 Terecht stelt van Hout dat met het verdwijnen van het VIV 1993 ook het totaaloverzicht is verdwenen. Het is volgens haar thans een welhaast onmogelijke taak om alle uitzonderingen op de fiscale geheimhoudingsplicht in kaart te (blijven) brengen.12