Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.6.2.2
2.6.2.2 Beoordelingskader van de rechtsstaat
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661343:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Ommeren en Zijlstra 2003; Van de Sande 2019, par. 2.3; Schlössels en Zijlstra 2017, par. 1.2.1, punt 15; Scheltema 2021. Zie ook Gribnau 2020, onderdeel ‘Public governance’.
Vgl. Dijkstra 1991, par. 11.2.
Met het oog op het doel van dit onderzoek, te weten herijking van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting (paragraaf 1.3), is het logisch om ‘uit te zoomen’ van enkel het vertrouwensbeginsel als toetsingskader. Om het geldende recht te herijken kan immers niet het geldende recht (de huidige koers) als norm dienen maar is een fundamentelere maatstaf nodig; zie Pieterse 2021, p. 26; Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/8 en 26.
De rechtsstaat, of preciezer: de beginselen van derechtsstaat, bieden een maatstaf voor overheidsoptreden – óók als het gaat om de voorlichtende taak van de Belastingdienst. Mijns inziens moet het beoordelingskader voor de wijze waarop in het belastingrecht wordt omgegaan met door voorlichting gewekte verwachtingen dus worden opgebouwd met behulp van de rechtsstatelijke beginselen (‘de rechtsstaat als toetsingskader’1). Dat klinkt misschien abstract en vaag, maar het is te concretiseren. Rechtsstatelijke beginselen zijn waarden die als essentieel worden beschouwd in de rechtsstaat, dus in de verhouding tussen overheid en burgers (paragraaf 2.2.3, 7.2). De rechtsstatelijke beginselen kunnen dus worden gezien als normen, als toetsingscriteria, voor overheidsoptreden.2
Uitgaande van Scheltema’s rechtsstatelijke beginselen, betekent dat de in het belastingrecht gehanteerde wijze voor de omgang met aan voorlichting verbonden risico’s moet worden getoetst aan (in ieder geval) het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het democratiebeginsel en het beginsel van de dienende overheid.3 Ik werk dit verder uit bij mijn voorstel voor herijking van het vertrouwensbeginsel in Deel III (paragraaf 7.2).