Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.5.5.1.3
7.7.5.5.1.3 Waarom eis ingebruikneming huurder?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291107:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 28 februari 2018, zaak C-672/16, FED 2018/103, m.nt. Gomes Vale Viga, r.o. 48 (Imofloresmira).
Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 28 februari 2018, zaak C-672/16, V-N 2018/16.17 (Imofloresmira) en M. van der Wulp, ‘Voorgenomen gebruik en gebruik voor een voornemen’, BtwBrief 2018/36, p. 6-7. Anders: Gomes Vale Viga, noot bij HvJ EU 28 februari 2018, zaak C-672/16, FED 2018/103 (Imofloresmira).
De in paragraaf 7.7.5.5.1.2 besproken goedkeuringen laat zien dat de eis dat de huurder het gehuurde onroerend goed in de wettelijke referentieperiode in gebruik moet hebben genomen ook volgens de Staatssecretaris van Financiën tot onwenselijke uitkomsten leidt. Toch heeft de Staatssecretaris hierin geen aanleiding gezien om art. 6a lid 5 Uitv.besch. OB te schrappen. De vraag is: waarom niet? In de parlementaire geschiedenis is geen enkele rechtvaardiging gegeven voor deze eis. Naar mijn mening is er, gelet op de strekking van de 90%-eis, ook geen goede reden om bij het opteren voor belaste verhuur onderscheid te maken tussen het aftrekgerechtigde gebruik van de huurder op basis van de bestemming en het feitelijke gebruik van het gehuurde onroerend goed. De 90%-eis is immers ingevoerd om te voorkomen dat huurders die niet of nauwelijks recht hebben op aftrek – niet-belastingplichtigen en vrijgesteld presterende belastingplichtigen – kunnen opteren voor belaste verhuur. Voor dit resultaat is het niet nodig om ook te eisen dat de huurder het gehuurde onroerend goed binnen de wettelijke referentieperiode in gebruik neemt. Bovendien is het maar de vraag of deze eis richtlijnconform is. Uit het Imofloresmira-arrest1 van het Hof van Justitie zou afgeleid kunnen worden dat deze ‘ingebruiknemingseis’ in strijd is met het beginsel van de fiscale neutraliteit.2 Dat zou betekenen dat de wetgever de grens van zijn beoordelingsruimte heeft overschreden (zie paragraaf 7.7.3.1). Naar mijn mening verdient het op grond van het voorgaande aanbeveling dat de wetgever art. 6a lid 5 Uitv.besch. OB schrapt.