Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.9:6.9 Conclusie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.9
6.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859266:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse onwaardigheidsregeling wijkt op onderdelen wezenlijk af van het Belgische systeem. Zo kent Nederland, in tegenstelling tot België, een overkoepelende bepaling voor zowel het versterferfrecht als het testamentaire erfrecht. Hoewel de Nederlandse wet slechts een artikel kent dat gewijd is aan onwaardigheid, zijn de gronden ruimer dan in België. Daarbij treedt onwaardigheid in Nederland in alle gevallen van rechtswege in. België kent daarentegen gronden die van rechtswege onwaardigheid meebrengen en gedragingen waarbij de onwaardigheid door de strafrechter kan worden opgelegd als bijkomende sanctie. Deze verschillen werken door bij een vergelijking tussen beide rechtsstelsels.
Het voorgaande neemt niet weg dat voor het Nederlandse recht lessen getrokken kunnen worden uit de Belgische regeling. Artikel 4:3 lid 1 BW dient gewijzigd te worden om te voldoen aan rechtspraak van het EHRM. Het Belgische artikel 4.6 § 1, 2° jo. § 2 lid 2 BBW kan daarbij als inspiratiebron dienen.
Verder geeft het Belgische leerstuk van de afgeleide onwaardigheid te denken. De afgeleide onwaardigheid heeft zowel voor- als nadelen. Mocht de Nederlandse wetgever een dergelijke regel invoeren, dan verdient het om praktische redenen de voorkeur een en ander te beperken tot registergoederen.
De Nederlandse en Belgische regeling kennen beide een limitatieve opsomming van onwaardigheidsgronden. Er zijn daarentegen ook wetgevingen die beoordelingsvrijheid toekennen aan de rechter. Het zou in Nederland niet misstaan te opteren voor een middenweg bestaande uit een gedeeltelijk open norm.
Op het gebied van derdenbescherming bij onwaardigheid zijn beide landen vrijwel eensgezind. Rechten van derden te goeder trouw verdienen bescherming. De Nederlandse wetgever heeft daarbij terecht een voorziening getroffen indien een goed door een derde om niet is verkregen. Het is dan de derde die verplicht kan worden door de rechter om een billijke vergoeding te betalen.
Gaat het om vergeving bij onwaardigheid dan lopen de landen weer uiteen. Nederland is ruimhartiger als het gaat om de gedragingen waarvoor vergeving mogelijk is alsmede de wijze waarop de vergeving dient te geschieden. In tegenstelling tot Nederland is in België reeds aandacht besteed in de literatuur aan de mogelijkheid tot het intrekken van de vergeving alsmede de gedeeltelijke vergeving. Nederland hoeft haar oor op dit punt echter niet te luister te leggen. In afwijking van bepaalde Belgische auteurs ben ik van mening dat gedeeltelijke vergeving en herroeping van de vergeving niet mogelijk is. Een gedraging wordt volledig vergeven of niet.