Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.4:6.4 Onwaardigheid van rechtswege versus op vordering
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.4
6.4 Onwaardigheid van rechtswege versus op vordering
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859287:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het oude recht heeft in Nederland discussie plaatsgevonden of onwaardigheid van rechtswege werkt. Deze discussie is met de invoering van artikel 4:3 BW beslecht. Onwaardigheid werkt van rechtswege. In België ligt dit anders. De eerste twee onwaardigheidsgronden werken van rechtswege, terwijl de derde onwaardigheidsgrond niet automatisch onwaardigheid met zich brengt. De rechter kan in dat geval de onwaardigheid uitspreken als bijkomende civiele sanctie. In het Belgische testamentaire erfrecht geldt dat ondankbaarheid nimmer van rechtswege werkt. Hier ligt altijd een vordering aan ten grondslag.
België kent met artikel 4.6 § 1, 3° BBW een facultatieve onwaardigheid. De rechter kan de onwaardigheid uitspreken indien een van de genoemde feiten zich voordoet. Logischerwijs kan in een dergelijk geval geen sprake zijn van onwaardigheid van rechtswege. Bij de herroeping wegens ondankbaarheid geldt dat nog een beoordeling plaats moet vinden of de mishandeling, het misdrijf of de grove belediging voldoende ernstig is. Herroeping van rechtswege is dan geen passend systeem.
Naar Nederlands recht dient geen beoordeling meer gemaakt te worden door een rechter over de ernst van de gepleegde feiten. Indien aan de voorwaarden van artikel 4:3 BW wordt voldaan, is van onwaardigheid sprake. In alle gevallen de rechter vervolgens nog een onwaardigverklaring laten uitspreken, is niet voor de hand liggend en zal tot onnodige procedures leiden. Onwaardigheid van rechtswege laten intreden, verdient dan de voorkeur.
In paragraaf 2.9 is een aanpassing van artikel 4:3 BW verkend. Hierin is een gedeeltelijk open norm voorgesteld. Er worden een aantal gedragingen opgesomd die tot onwaardigheid leiden en deze werken van rechtswege. Er dient geen beoordeling meer plaats te vinden van de ernst van de gedraging. Gaat het om een gedraging die niet staat uitgeschreven, dan is het aan de civiele rechter om hierover een oordeel te vellen en de onwaardigheid al dan niet uit te spreken. Onwaardigheid werkt dan niet van rechtswege. Daarmee komt er een tweeledig systeem waarbij onwaardigheid in bepaalde gevallen van rechtswege werkt en in andere gevallen niet. Hiermee vindt een verschuiving plaats in de richting van het Belgische artikel 4.6 BBW dat eveneens een dergelijk onderscheid heeft. Het zij wel opgemerkt dat het Belgische artikel 4.6 BBW vasthoudt aan een limitatieve opsomming, hetgeen bij het voorgestelde Nederlandse artikel 4:3 BW wordt losgelaten.