Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.2:6.2 Een onwaardigheidsbepaling versus verschillende regelingen
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.2
6.2 Een onwaardigheidsbepaling versus verschillende regelingen
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859258:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit verschil nader par. 6.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar Nederlands recht is artikel 4:3 BW de onwaardigheidsbepaling die voor zowel het versterferfrecht als het testamentaire erfrecht geldt. Daarbij worden alle facetten gevangen in dit ene artikel: de gronden, gevolgen en vergevingsregeling. Met een plek bij de algemene bepalingen van het erfrecht wordt het fundamentele karakter van onwaardigheid onderstreept.
In België is de regeling anders van opzet. Niet alleen speelt onwaardigheid enkel in het versterferfrecht, de verschillende onderdelen zijn daarbij over diverse bepalingen verspreid. Het testamentaire erfrecht kent de regeling van herroeping van legaten wegens ondankbaarheid. De gronden voor herroeping zijn daarbij ruimer dan bij onwaardigheid. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat door de erflater bewust extra is begiftigd en er daarom ook meer dankbaarheid mag worden verwacht. De herroeping geschiedt enkel op vordering, hetgeen een belangrijk verschil is met de onwaardigheid die naar Nederlands recht in alle situaties van rechtswege werkt.1
Naar Nederlands recht zijn de gronden van onwaardigheid ruimer dan in het Belgische recht. Bepaalde gedragingen die herroeping van een legaat mogelijk maken in België leiden naar Nederlands recht tot onwaardigheid. Er zijn ook gedragingen die in België de herroeping van een legaat rechtvaardigen waar in het Nederlandse erfrecht geen onwaardigheid voor volgt. De Nederlandse wetgever acht misdrijven waar minder dan een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf op staat en misdragingen jegens de erflater die in het geheel geen strafbaar feit opleveren, niet ernstig genoeg. De erflater kan dan zelf nog acteren door de dader te onterven dan wel de eventuele testamentaire voordelen te herroepen. De erflater is immers door de misdraging niet overleden. Bij minder ernstige gevallen overgaan tot de zware sanctie van onwaardigheid, die daarbij van rechtswege werkt, lijkt mij niet aangewezen. In dat geval vergt de openbare orde niet dat wordt ingegrepen door de wetgever en kan evenmin van de veronderstelling worden uitgegaan dat over het algemeen de erflater niet wenst dat degene die zich heeft misdragen nog van hem erft. Het ligt daarom voor de hand dat mocht de erflater een correctie willen, hij daar zelf toe overgaat en niet dat hij actief een handeling moet verrichten om onwaardigheid te laten vervallen.
Deze verschillen in opzet maken dat het geïsoleerd beoordelen van de vraag of een overkoepelende regeling, zoals in Nederland, de voorkeur heeft, van geen betekenis is. De omvang van de gronden alsmede de vraag of de regeling al dan niet (deels) van rechtswege werkt, zijn daarbij van belang.
Concluderend ben ik van mening dat er voor de Nederlandse regeling geen noodzaak bestaat terug te keren naar de systematiek onder het oude Nederlandse erfrecht in die zin dat een afzonderlijke regeling geldt voor het versterferfrecht en het testamentaire erfrecht. Een overzichtelijke, algemene bepaling verdient in ons rechtsstelsel de voorkeur.