Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.7:6.7 Derdenbescherming
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.7
6.7 Derdenbescherming
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859290:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Beide rechtsstelsels kennen regels voor derdenbescherming die in de kern overeenkomen. De Nederlandse bepaling biedt bescherming bij rechten door derden te goeder trouw verkregen voordat de onwaardigheid is vastgesteld. In paragraaf 3.4 is betoogd dat de bepaling aldus moet worden opgevat dat ook de rechten van derden geëerbiedigd worden als ten tijde van de verkrijging reeds sprake is van onwaardigheid, maar dit bij de derde niet bekend is of kon zijn. Kortom, rechten door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd. In België is opgenomen dat geen afbreuk wordt gedaan aan rechten van derden die te goeder trouw handelden, hetgeen in de kern op hetzelfde neerkomt.
In beide landen is de waarde van het goed relevant, al lijkt de regeling bij de verkrijging om niet te verschillen. Uit artikel 4:3 lid 2 BW volgt dat de rechter bij een verkrijging om niet een naar billijkheid te bepalen vergoeding kan opleggen ten laste van de derde. Dat zal met name aan de orde zijn als het goed een bepaalde waarde vertegenwoordigt. Die waarde dient terug te vloeien in de nalatenschap. De derde wordt hierdoor niet onevenredig getroffen. Zou de derde geen billijke vergoeding betalen, dan wordt hij in een dergelijke situatie ongerechtvaardigd verrijkt.
In de Belgische literatuur wordt het standpunt ingenomen dat de onwaardige verplicht is tot teruggave van de waarde. Hierbij wordt niet ingegaan op de situatie dat de onwaardige een goed om niet heeft overgedragen. In zijn algemeenheid wordt opgemerkt dat de onwaardige gehouden is het equivalent terug te geven. Het is de derde die voordeel geniet als hij een goed dat waarde vertegenwoordigt om niet heeft verkregen. Deze derde moet dan de waarde afdragen en niet de onwaardige. Zou dit anders zijn, dan wordt de derde, als gezegd, ongerechtvaardigd verrijkt en de onwaardige harder getroffen dan noodzakelijk. De onwaardige lijdt dan verlies en dat is niet het idee achter onwaardigheid. De onwaardige mag geen voordeel genieten. Dat is ook niet aan de orde als hij een goed om niet heeft overgedragen. Kortom, de tweede volzin van artikel 4:3 lid 2 BW over de vergoeding bij een verkrijging om niet, is een toevoeging die behouden kan blijven.
Is het goed tegen een marktconforme waarde overgedragen dan dient de onwaardige in beide landen deze waarde aan de (overige) erfgenamen te vergoeden als rechten van derden op behoud van het goed prevaleren. De erfgenamen kunnen het goed dan niet terugvorderen ten nadele van derden te goeder trouw.